Macrofaunanieuwsmail 119, 4 december 2014

Beste lezers,

Een nieuwsmail in december

voor elke nieuwsmailmember

Met zeer diverse nieuwtjes en verhalen

om echt je hart aan op te halen

Dank voor de schrijvers, het is weer erg geslaagd

aan alle lezers: VOEL JE UITGEDAAGD!

 Geniet van deze weken,

en zie, hoor of lees je iets dat je graag wilt bespreken,

klim in de ‘pen’ en vertel

macrofauna@rws.nl

Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

 http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

Email wijziging? dan snel…….doorgeven aan macrofauna@rws.nl

Zo, dit jaar is weer klaar

van harte, groeten, Myra Swarte

In dit nummer:

Ringonderzoek macrofauna. 2

Hygiene Protocol voor veldwerkers. 3

De waarde van habitats. 4

Stel je voor 1. 8

Stel je voor 2. 9

Kant noch Wal, EIS-dag 24 januari 2015. 9

Chironomini: Parachironomus en Microtendipes. 10

Zojuist geopend /verschenen. 11

Ringonderzoek macrofauna

Inleiding                                

Aqualysis en haar voorganger Waterschap Groot Salland hebben een lange traditie opgebouwd met onderzoeken naar de determinaties van macrofauna. Het begon met allemaal dieren in verschillende buisjes om de referentiecollecties van andere waterschappen uit te breiden. Daarna kwam de behoefte om beter te onderzoeken waar veel fouten werden gemaakt bij de determinaties. Om dit te achterhalen werden monsters die al door Aqualysis gedetermineerd waren opgestuurd naar andere laboratoria. De uitkomsten van deze vergelijkingen leverden veel waardevolle informatie op. Inzicht in welke families in de praktijk erg moeilijk te determineren zijn en kenmerken waarbij gemakkelijk determinatiefouten worden gemaakt. Dit onderzoek was vrij arbeidsintensief.

Deze keer gaan we weer terug naar een basis ringonderzoek, waarbij elke deelnemer dezelfde onbekende inhoud moet determineren. Voor veel laboratoria is meedoen met een ringonderzoek een eis van de Raad van accreditatie. Aqualysis wil dit graag mogelijk maken voor een kostendekkende prijs. We hopen dat zoveel mogelijk verschillende organisaties willen deelnemen bij dit ringonderzoek.

 Opzet ringonderzoek

Er zullen potjes worden rondgestuurd met ongeveer 25 verschillende taxa. De inhoud van de potjes is voor iedere deelnemer gelijk. De taxa dienen te worden gedetermineerd tot voor zover mogelijk op soortniveau volgens de meest recente TWN-lijst. Aqualysis verstrekt een Excel-bestand waarin de resultaten kunnen worden gerapporteerd. Aan de deelnemers wordt ook gevraagd ook de gebruikte determinatieliteratuur te vermelden.

Rapportage

De rapportage bestaat uit een of meerdere tabellen waarin de resultaten van het onderzoek worden gepresenteerd. Er zullen geen statistische bewerkingen worden uitgevoerd. Er zal ook geen waarde oordeel van de resultaten worden gegeven. Het is aan de deelnemers zelf om te bepalen hoe zij hebben gepresteerd.

                                                                                   

Planning

  • Opgave t/m 31 december;
  • Begin januari verzending ringonderzoek;
  • Voor 15 februari inzending resultaten;
  • Verzending antwoorden ringonderzoek eind februari;
  • Compacte rapportage begin maart.

Algemene voorwaarden

  • Resultaten worden anoniem verwerkt en gerapporteerd;
  • Aan elke organisatie wordt in principe 1 monster verstrekt. Een organisatie kan aangeven extra monsters te willen ontvangen zodat meerdere nevenvestigingen van deze organisatie afzonderlijk kunnen deelnemen. Deze extra monsters worden alleen verstrekt indien er voldoende materiaal beschikbaar is;
  • Voor elk monster dat aan een organisatie wordt verstrekt wordt €300,- exclusief BTW in rekening gebracht;
  • Door het invullen en versturen van het deelnameformulier verplicht de deelnemende organisatie zich tot het betalen van de deelnamekosten;
  • Een deelnemer kan zich tot de sluitingsdatum kosteloos afmelden.
  • Facturen zullen worden verstuurd in het voorjaar 2015;
  • Aqualysis heeft het recht bij onvoldoende deelname het ringonderzoek te annuleren;

Het deelnameformulier kan worden opgevraagd bij:

Hans Hop                     of         Jan Mulder

hhop@aqualysis.nl                   jmulder@aqualysis.nl

  1. (038) 455 67 30 (038) 455 63 34

Hygiene Protocol voor veldwerkers

 De huidziekte chytridiomycose, veroorzaakt door de schimmel Batrachochytrium dendrobatidis (Bd) en B.salamandrivorans (Bs), veroorzaakt wereldwijd massale sterfte onder amfibieën.

Om verdere verspreiding van deze ziekte te voorkomen is er nu een hygiëneprotocol opgesteld. RAVON hoopt dat ook mensen die aan macrofauna werken dit protocol oppakken.

Het is te downloaden via: http://www.ravon.nl/Portals/0/Pdf/Hygiene%20protocol%20nov14.pdf

Vriendelijke groet,

Matthijs Courbois

 

De waarde van habitats

Henk Vallenduuk

Introductie

In vogelvlucht wil ik een overzicht geven van het bemonsteren van macrofauna en het verwerken van de gegevens. Hierbij staat de habitat en de discriminerende factoren centraal. Als voorbeeld worden dansmuggen (Chironomidae) genomen, maar dit geldt natuurlijk voor alle macrofauna in gelijke of mindere mate.

Geschiedenis

De huidige methode van bemonsteren is gericht op zoveel mogelijk habitats. In vergelijking met voorheen, waarbij gewoon “meters” werden bemonsterd, al een hele verbetering.

In 1977 is de European Invertebrate Survey-Nederland, (EIS)-Nederland, opgericht met als coördinator Jan van Tol en later ook met Erik van Nieukerken. Het EIS is toentertijd begonnen met het verzamelen van habitatgegevens middels een formulier of ponskaarten. Het project is echter nooit afgerond wegens te geringe respons. Met deze gedetailleerde gegevens zou heel veel te weten zijn gekomen over habitat voorkeuren van soorten.

Er zijn enkele publicaties of projecten waarbij de habitat besproken wordt. Hieronder een, mogelijk niet compleet, overzicht.

1 – In het proefschrift over Cenotypen door Piet Verdonschot (1990) worden watertypen ingedeeld naar morfologie. De habitat wordt hierin wel genoemd, maar staat niet centraal. Wel wordt per type een uitgebreid overzicht gegeven van de aangetroffen macrofauna en a-biotische gegevens.

Verdonschot, 1990. Omslag proefschrift Verdonschot, 1990: 150. Poelen, cenotype P4

2 – Met de Habitat Evaluatie Procedure (HEP) kunnen de aanwezige habitats per water of locatie aangegeven worden. Zie WEW-themanummer 09 (1995).

3 – Habitat typen worden beschreven door Janssen & Schaminée (2003) maar hierin gaat het, in ieder geval wat de wateren betreft, niet om habitats maar om trofie.

4 – In de onlangs verschenen publicatie van Henk Hoogenboom (2014: 82-83) wordt enige aandacht besteed aan habitats, maar zeer summier. Er wordt zelfs een richtlijn gegeven op pagina 258, maar de omschrijving is erg vaag.

De waarde van een habitat

Een habitat is gewoon een woonplek voor een soort.

Soorten hebben een voorkeur voor een habitat en dit habitat wordt bewust opgezocht. Het voorkomen van soorten is dan ook het gevolg van de aanwezigheid van habitats. Maar meer factoren, zoals de aanwezigheid van voedsel, spelen natuurlijk een rol.

Beoordeling op basis van macrofauna

De aanwezigheid van soorten wordt gebruikt om de waarde van een water aan te geven.

Is biodiversiteit wel het hoogste goed. Is veel wel beter?

Pas op met te veel waarde te hechten aan lange soortenlijstjes. Sommige bijzondere watertypen herbergen weinig maar wel bijzondere soorten. Bijvoorbeeld temporaire wateren (vaak door kwel gevoed) en bronnen. Het is ook niet nodig om alle aanwezige soorten gevangen te hebben en het is zelfs de vraag of dat wel zin heeft. Immers, de aangetroffen soorten en hun abundantie geven voldoende informatie. Maar dan moet ecologische informatie wel beschikbaar zijn en dat is niet bij alle soorten (of zelfs hele groepen) het geval.

Wat zijn zeldzame soorten?

Een criterium en overzicht van taxa wordt gegeven in het WEW themanummer 19. Een soort als Halocladius varians en H. variabilis zijn zeldzaam. Dat klopt voor als je niet op de juiste plaats kijkt.

In brakke wateren komen ze vaak in grote aantallen voor. Van de dansmug Parachironomus mauricii werd aanvankelijk gedacht dat het een niet algemene soort zou zijn. Toen het determineren van deze soort mogelijk werd, werd de verspreiding in Nederland duidelijker.

Parachironomus mauricii. Locaties bekend in 2006 Parachironomus mauricii. Locaties bekend in 2014

Omdat deze larven parasitair in slakken leven, in dit geval Radix, werd deze soort nooit gevonden omdat er niet naar gekeken werd.

In veel gevallen blijkt een soort zeldzaam omdat de habitat, in combinatie met de omgevingsfactoren, zeldzaam is.

Gebruiken van beoordelingsmethoden

Soorten worden gebruikt om het water te beoordelen. Enkele aspecten om bij de beoordeling rekening mee te houden worden ter indicatie genoemd.

Controleer altijd of een het lijstje wel “logisch” is. De plaatselijke situatie altijd in de beoordeling betrekken. Heeft het wel zin om het aantal individuen per vierkante meter te willen weten?

Verdonschot, 1990: 189. Doorsnede sloot Verdonschot, 1990: 213. Doorsnede Groot Huisven

De aanwezigheid van soorten is nooit gelijk verdeeld over een oppervlakte, maar zijn verdeeld per habitat. De habitats zijn nooit gelijk aanwezig van “west naar oost”.

Wat gebeurt er als er één exemplaar van een soort verzameld is? Is dit gelijk aan “0”? Een bijzondere soort gaat zo verloren in de beoordeling.

Een beoordelingsmethode zou verschuivingen in kwaliteit duidelijk moeten maken. Kan met de huidig toegepaste methode wel duidelijk gemaakt worden of er een kleine verbetering of verslechtering gaande is? Waarschijnlijk is de weging relatief grof en wordt het niet opgemerkt. Door zelf te vergelijken, en niet de uitslag “voor lief” te nemen, kan dat natuurlijk wel vastgesteld worden.

Habitat en enkele discriminerende omgevingsfactoren

Erg ingewikkeld, maar wel de realiteit. Met de habitat en de aanwezigheid van voedsel heb je nog geen verklaring voor de aanwezigheid van soorten.

In Verdonschot (1990) is dit weergegeven middels een schema waaruit ook blijkt hoe moeilijk het is.

Zuurstof is een belangrijke factor. Een bodem met een goede zuurstofhuishouding herbergt andere soorten dan een anaerobe bodem, meestal een bodem met zwart slib. Zuurstofloosheid treedt

’s nachts op waardoor metingen van overdag geen nut hebben. Een dergelijke situatie doet zich voor bij sloten met een kroos laag.

Ook bij (plotseling) extreem snelle stroming verandert de samenstelling van de bodemfauna.

De invloed van predatie, onder andere door vlokreeften, moet niet onderschat worden. In de publicatie van Vallenduuk & Moeleker (2012) wordt aangetoond wat de invloed van Gammarus is tijdens het vervoer van de emmer van de locatie naar het laboratorium. Maar in het water zelf wordt natuurlijk ook flink gegeten. Hoeveel in beide situaties gegeten wordt, is niet te achterhalen.

Blijven wonen of verkassen

In nagenoeg elk water leven dansmuggen, maar een dansmug soort vind je niet in elk water. De geschikte plek wordt bewust gezocht en is waarschijnlijk een combinatie van habitat en aanwezigheid van voedsel. Mogelijk worden ook abiotische factoren waargenomen als vrouwtjes de eieren afzetten.

Individuen verspreiden zich snel over (micro)habitats. Het is bekend dat juveniele larven een ander habitat bewonen dan volgroeide larven.

Dieren verhuizen of gaan op drift. Zeker als de situatie ze niet bevalt, bijvoorbeeld bij “calamiteiten” zoals plotselinge zuurstofloosheid, extreme stroming of droogvallen. In een sloot met een kroos laag bijvoorbeeld tref je op of in de bodem bijna geen dieren meer aan. De daar normaliter aanwezige fauna is verhuisd naar de oeverzone, tussen de wortels van het kroos of onder de op het water drijvende bladeren.

Zijn volwassen dieren belangrijker dan de juvenielen? Volwassen dieren kunnen zich buiten het water verspreiden. De juveniele stadia van soorten kunnen dus eigenlijk veel meer indicerend voor de locatie zijn dan de volwassen dieren. Denk daarbij aan deze voorbeelden. De volwassen dieren van waterwantsen vliegen erg snel weg als de situatie niet bevalt, maar de larven (nymfen) kunnen dat natuurlijk niet. Volwassen libellen vliegen rond op zoek naar prooidieren maar zijn natuurlijk geen indicatie voor een habitat in het water en de larven zijn dat wel. Deze verschillen zouden moeten meespreken bij een beoordeling.

Een heel interessant onderzoek is gedaan door Henk Moller Pillot (2003). Hij toont aan dat de samenstelling van de macrofauna sterk verandert als gevolg van veranderende omstandigheden.

Met deze mogelijk negatief klinkende informatie is niet gezegd dat macrofauna-onderzoek geen nut heeft. Immers, de aanwezige habitats en de aangetroffen macrofauna blijven indicerend. Alleen enkele discriminerende factoren zijn sturend geweest en daarmee dient rekening gehouden te worden.

Een aquarium

Het lijkt misschien voor kinderen, maar dat is het niet. In een aquarium kan gedrag bekeken worden waardoor habitat keuze en divers gedrag goed te observeren zijn. Dit draagt zeker bij tot een beter begrip van soorten. Het is aan te raden om een (niet te klein) aquarium in het laboratorium te plaatsen en in te richten met diverse habitats. Doe daar materiaal uit de te onderzoeken locatie in en ga regelmatig, zeker direct na het toedienen, kijken wat de dieren doen.

Enkele voorbeelden.

Zo kan je bijvoorbeeld zien dat sommige soorten binnen enkele minuten verdwijnen door het maken van een slibkokertje.

De volwassen kevers van Gyrinus, de schrijvertjes, zwemmen bijna onnavolgbaar over het water. Bij “gevaar” zijn ze ineens onder water gedoken. Maar schrijven? Heb je wel eens gezien hoe ze prooidieren verschalken? De larve van deze kever is wel bekend. Ze zijn minstens zo belangrijk, zo niet belangrijker, omdat ze eerst ergens moeten opgroeien. Waar en waarvan leven deze larven?

   Slibkokertjes van Chironomus larven            Gyrinus op het wateroppervlak

 Kennis van soorten uitbreiden

Vaak is achteraf niet bekend in welk habitat een soort gevonden is, omdat de apart verzamelde habitats in één emmer gedaan worden. Kennis over soorten, nieuw of aanvullend, gaat hiermee verloren. Van veel soorten is nog lang niet alles bekend. Het is eigenlijk een gemiste kans. Met de gedane inspanningen zou veel meer gedaan kunnen worden. Maar het is nooit te laat.

Idee voor volgend jaar?

  • Per instantie één (interessant) water uitkiezen en heel gericht onderzoeken.
  • Habitats apart bemonsteren in voor- en najaar of vaker. Habitatmonsters niet te groot maken.
  • Gescheiden verzamelen en determineren.
  • Beschikbare gegevens verwerken en openbaar maken.
  • Opstarten met belangstellenden en een centraal meldpunt in het leven roepen.

Het lijkt misschien wat utopisch, maar het is natuurlijk niet noodzakelijk om alle habitats te onderzoeken. De keuze kan ook vallen op enkele interessant lijkende habitats. Een mogelijkheid is zelfs om slechts één habitat per jaar uit te kiezen. Dit alles is ter overweging en kan het beste centraal begeleid worden door één persoon.

Literatuur

Hoogenboom, H. (2014): Aquatische Ecologie. Functioneren en beheren van zoete en brakke aquatische ecosystemen. 419p. KNNV Uitgeverij.

Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée (2003): Europese Natuur in Nederland. Habitat typen. 120p. KNNV Uitgeverij.

Moller Pillot, H.K.M. (2003): Hoe waterdieren zich handhaven in een dynamische wereld.- Stichting het Noordbrabants Landschap: 1-182 + CD-rom.

Vallenduuk, H.J. & M. Moeleker (2012): The influence of predation by Gammaridae on invertebrates.- Lauterbornia 75: 39-42, Dinkelscheiben.

Verdonschot, P.F.M. (1990): Ecologische karakterisering van oppervlaktewateren in Overijssel.- Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Leersum. Proefschrift, 301p.

WEW-09 (1995): Habitat evaluatie procedure: een bruikbaar instrument voor het (regionaal) waterbeheer. Verslag van een discussiemiddag van de Werkgroep Ecologisch Waterbeheer. Onder redactie van: M. Fellinger, J. Friedrich, E.T.H.M. Peeters.

WEW-19 (2001): Zeldzaamheid van de macrofauna in de Nederlandse binnenwateren.

Redactie: R. Nijboer en P. Verdonschot.

Stel je voor 1

Mijn naam is Marie-Claire Boerwinkel en ik ben werkzaam bij Alterra sinds 1998 in Wageningen. Allereerst begonnen bij een groep wat DNA onderzoek doet aan verschillende flora en fauna.

En sinds 2008 ben ik werkzaam bij de groep ERA (Environmental Risk Assessment).

Dit team houdt zich bezig met onderzoek aan bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewater. Dit kan zijn een herbicide waarbij gekeken wordt naar de invloed van een bepaald middel op waterplanten, sediment, maar we kijken ook naar een fungicide of insecticide waarbij zoöplankton, fytoplankton en/of macrofauna nader onderzocht wordt.

Veelal wordt getest op ons proefstation De Sinderhoeve in Renkum waar de faciliteiten zijn om deze experimenten uit te voeren. www.sinderhoeve.org<http://www.sinderhoeve.org>

Macrofauna en het algehele waterleven heeft altijd mijn interesse gehad.

Leuk om nu via de macrofaunanieuwsmail op de hoogte gehouden te worden.

Mvg, Marie-Claire Boerwinkel


Stel je voor 2

In 1999 ging ik met de jeugdbonden mee op hydrobiologisch vang- en determinatie-weekend. De jaren daarna bemonsterde ik vooral met fles-fuiken en schepnet allerlei poelen, sloten en vennen in de buurt van Zeist waar ik bijvoorbeeld een populatie kamsalamanders vond. Nog wat leuke waarnemingen zijn Notonecta reuteri bij Uffelte (23-7-2000, coll. van der Zee), Hirudo medicinalis nieuw in het Roerdal (12-6-2011), Myxas glutinosa in een oude zijarm van de Vecht bij Ommen (18-6-2011) en Ilybius guttiger in het Korenburgerveen (18-4-2014, coll. Lammers).

Qua macrofauna ben ik vooral thuis in libellen, mollusken, kevers en wantsen. 2009-2012 zat ik in het bestuur van de libellenvereniging en ik valideer de Odonata voor de NDFF. Sinds 2009 ben ik algemeen bestuurslid bij Stichting EIS, Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden.

Voor mijn studie Bos- en Natuurbeheer (Wageningen Universiteit, afgerond najaar 2014) heb ik onder andere rondgelopen op de labs van Stichting Bargerveen, Bureau Waardenburg en NIOO-KNAW. Mijn afstudeeronderzoek ging over biodiversiteit met diverse insecten-groepen in natte heides. Ik heb ervaring opgedaan in determineren, interpreteren, rapporten opstellen en efficiënt werken.

Ook heb ik ervaring opgedaan met relevante natuurwetgeving en natuurbeleid als F&Fwet, Natura 2000 beheersplannen en SNL monitoring. Voor de Flora & Faunawet en gedragscodes heb ik recent twee workshops gehouden voor terreineigenaren.

Vriendelijke groet,

Matthijs Courbois matthijscourbois@gmail.com

Kant noch Wal, EIS-dag 24 januari 2015

Stichting EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden organiseert ieder jaar een landelijke informatiedag met een gevarieerd aanbod aan lezingen. Deze keer staat de dag in het thema van (semi-)aquatische fauna, met bijdragen over o.a. de bijzondere fauna van Limburgse bronnen (Barend van Maanen),

bomen in rivieren (Alexander Klink), loopkevers van slootoevers (Kris Decleer),

terrestrische Chironomidae (Henk Moller Pillot) en nog veel meer.

Verschillende aspecten van biologie, ecologie en vooral ook beheer zullen aan bod komen waarmee het niet alleen een dag is voor liefhebbers maar juist ook voor beheerders.

Natuurlijk kunt u ook uw eigen kennis testen tijdens de Mysterie Insecten Competitie, eveneens toegespitst op het thema.

Kortom wees welkom, de deuren zijn open vanaf 10:00, waarbij er koffie en thee klaar staat.

De dag zal geopend worden om 10:30. Om 16:15 is er de gelegenheid om nog even rustig na te kletsen onder het genot van een hapje en een drankje.

De toegang is gratis en aanmelden is niet nodig.

De EIS-dag zal gehouden worden in het auditorium van museum Naturalis te Leiden. Museum Naturalis ligt achter het centraal station van Leiden, vlakbij het Leids Universitair Medisch Centrum. Een routebeschrijving vindt u op www.naturalis.nl/nl/bezoek/adres/. Het definitieve programma zal later bekend worden gemaakt

John Smit

John.smit@naturalis.nl

071-7517359
Chironomini: Parachironomus en Microtendipes

Henk Vallenduuk

Door het uitkweken van larven en onderzoek aan collectiemateriaal konden kenmerken aan larven bestudeerd worden. Hierdoor is het mogelijk geworden om ook de larven van een behoorlijk aantal soorten van beide genera op naam te brengen.

Hieronder een overzicht van de soorten die nu bekend zijn van West-Europa. Dat van buiten Nederland weinig locaties opgegeven zijn, komt doordat voornamelijk in Nederland onderzoek is gedaan. Wel wordt duidelijk welke soorten vaak zijn gevonden.

Een determineersleutel voor deze genera wordt begin 2015 gepubliceerd in Lauterbornia. Als daarna gegevens beschikbaar komen, ontstaat een beter beeld van de verspreiding en hopelijk ook van de habitat van elke soort.

 Afkortingen: NL=Nederland, WE=West-Europa

Literatuur:

Langton, P.H. (1991): A key to pupal exuviae of West Palaearctic CHIRONOMIDAE.

Private publication: 1-386.

Zojuist geopend /verschenen

webwinkel in veldmaterialen http://www.veldshop.nl/

Fotogids Larven van Libellen – libellenlarven

NIEUW! Met spectaculaire detailfoto’s

Lang verwacht en nu verschenen! De eerste Nederlandstalige fotogids voor de herkenning van libellenlarven. Beschrijft 80 soorten larven van libellen en waterjuffers van Noordwest-Europa. Met heldere soortbeschrijvingen, waarnemingstips en achtergrondinformatie over de ecologie van libellen, het zoeken, vangen en uitkweken. Met spectaculaire foto’s!  KNNV uitgeverij

Auteur: Christophe Brochard & Ewoud van der Ploeg

Prijs: € 47,95

Die Wasserwanzen Deutschlands:

 Bestimmungsschlüssel für Alle Nepo- und Gerromorpha

By: Gerhard Strauß(Author), Rolf Niedringhaus(Author),

Marlies Stöckmann(Illustrator)

66 pages, ~300 colour photos,

50 b/w line drawings, b/w distribution maps

Aquatische Ecologie in Nederland

 Dit nieuwe standaardwerk geeft een grondig

én actueel overzicht. KNNV Uitgeverij

Einde macrofaunaniewsmail 119        

Macrofaunanieuwsmail 118, 30 oktober 2014

Beste lezers,

Alweer een gevulde nieuwsmail met diverse berichten en een cursus aankondiging.

Alle schrijvers hartelijk dank.

Herfst, de wintertijd is ingegaan,

tijd om meer te schrijven?

Geniet van de veranderingen in de natuur, en als je wat ziet, hoort of leest, mail naar

macrofauna@rws.nl

Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws
Is uw email adres gewijzigd…….geef het door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

Halacariden in het waterleidingnet van Evides Waterbedrijf 3

Nieuwe versies Handboek Hydrobiologie. 5

Aankondiging en opgaveformulier voor de determinatiecursus Mollusca,           5 en 6 maart 2015 te Wageningen. 6

Chironomiden nieuws: Polypedilum… 8

Stel je voor 1. 9

Stel je voor 2. 9

Stel je voor 3. 9

Zojuist verschenen! 10
‘Breng je schelp’  

In 2014 bestaat de Nederlandse Malacogische Vereniging (NMV) 80 jaar. Om dat te vieren organiseren we in nauwe samenwerking met diverse musea, bezoekerscentra en regionale schelpenwerkgroepen de landelijke manifestatie ‘Breng je schelp’ op 13 locaties in heel Nederland.
Op een ‘Breng je schelp’- dag kan iedereen langskomen met zelf gevonden schelpen en slakken waar hij of zij graag meer over wil weten. Deskundigen (die zichzelf ‘malacologen’ noemen) maken bezoekers wegwijs in de wondere wereld van de weekdieren en ze kunnen veel vertellen over meegebrachte schelpen en horens. Wie weet zit daar wel een echte schat tussen! Het wordt dus een soort ‘Tussen kunst en kitsch’ voor schelpen en slakken, en dan zelfs nog een beetje meer. Want op een aantal plekken worden films en video’s vertoond of zijn kleine tentoonstellingen te bewonderen. Het maakt niet uit of je met schelpen komt van het Nederlandse strand, uit Frankrijk of uit een ver tropisch oord, of ze vers zijn of fossiel: we proberen je te helpen en meer te vertellen over je vond­sten.

Op zaterdag 27 september is de manifestatie ‘Breng je schelp’ gestart. Nu is deze nog op de volgende data te bezoeken:

Locatie Datum & tijd  
Museum Twentse Welle,

Het Rozendaal 11, Enschede

 

1/11 – 11-16 uur www.twentsewelle.nl
Natuurpark Lelystad,

Vlotgrasweg 11, Lelystad

 

1/11 – 10-16 uur www.flevo-landschap.nl

 

Muzee,

Neptunusstraat 90-92, Scheveningen

 

15/11 – 10-17 uur www.muzeescheveningen.nl

 

Natuurmuseum Fryslân,

Schoenmakersperk 2, Leeuwarden

 

22/11 – 11-17 uur www.natuurmuseumfryslan.nl

 

Werkgroep Geologie Zeeland,

MEC De Bevelanden, De Hollandsche Hoeve, Kattendijksedijk 23, Goes)

29/11 – 10-16 uur www.werkgroepgeologie.nl

 

 

Detailprogrammering per locatie is ook beschikbaar op de website van de NMV: www.spirula.nl.

Halacariden in het waterleidingnet van Evides Waterbedrijf

Ronald Munts, Ger-An de Jonge-Pinkster en Jörn Pilon

In het najaar van 2013 heeft Aqualab Zuid in opdracht van Evides Waterbedrijf onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van ongewervelde dieren in het distributieleidingen voor drinkwater. Door krachtig te spuien werden ongewervelde dieren die van nature in waterleidingen voorkomen opgewerveld, waarna ze met behulp van planktonnetten met verschillende maaswijdtes werden verzameld. In 16 van de in totaal 42 monsters uit het distributiegebied van Evides Waterbedrijf werden halacariden aangetroffen. Daarbij het ging het om water afkomstig van verschillende drinkwaterzuiveringen in Zuid-Holland en Zeeland. Per locatie werden maximaal vijf halacariden geselecteerd, die vervolgens door Bureau Waardenburg op naam zijn gebracht.

In zoet water komen ongeveer 60 soorten Halacaridae voor, waarbij het gaat om strikt benthische soorten (Bartsch et al. 2007). In de onderzochte monsters bleek Soldanellonyx monardi (Foto 1) de meest frequent voorkomende soort te zijn (13 van de 16 monsters).

Foto 1. Soldannellonyx monardi (Bureau Waardenburg).

In het verleden is de soort wel aangetroffen in Nederland, maar sinds 1945 zijn geen waarnemingen meer bekend uit ons land (Bartsch & Smit, 2006). Een opvallend kenmerk dat de geslachten Soldanellonyx en Parasoldanellonyx onderscheidt van andere Halacariden zijn de lange dorens op de klauw van het eerste pootpaar (Foto 2), die zijn gerangschikt in een parapluvorm. De klauwtjes vertonen een grote gelijkenis met de bloemen van kwastjesbloemen (Soldanella), een geslacht van planten uit de sleutelbloemfamilie die voorkomen in bergachtige streken (Foto 3).

Foto 2. Eerste pootpaar van Soldanellonyx monardi (Bureau Waardenburg).          Foto 3. Soldanella alpina (Wikipedia).

monardi staat bekend als een ubiquist die in allerlei watertypen kan voorkomen (Bartsch et al. 2007). Uit ondergrondse waterleidingen was de soort echter nog niet bekend. Uit recente waarnemingen in de Duitse deelstaat Thüringen blijkt echter wel dat de soort kan voorkomen in interstitieel water (op de grens van grond- en oppervlaktewater) van een aantal beken (Müller & Meidl 2013, Müller 2014).

Naast S. monardi is Lobohalacarus weberi regelmatig aangetroffen in monsters van Evides Waterbedrijf (5 van de 16). Deze laatste soort werd in 1998 en 2012 ook waargenomen in monsters uit het leidingnet van een drinkwaterbedrijf in Noord-Holland (Smit et al. 2012). Ook Müller & Meidl (2013) en Müller (2014) maken melding van het frequente voorkomen van deze soort in interstitieel water van beken in Thüringen.

Opvallend is de vondst van Caspihalacarus hyrcanus (4 van de 16 monsters) een soort die alleen werd gevonden in dat deel van het distributienet van Evides Waterbedrijf, dat gevoed wordt met water afkomstig van de zuivering Berenplaat (Spijkenisse). De soort is vooralsnog alleen bekend van oppervlaktewateren, zoals meren, plassen en (nevengeulen van) rivieren (Bartsch & Smit 2006, Bartsch et al. 2007).

Noemenswaardig is verder nog de vondst van enkele exemplaren behorende tot de Acaridae. Vermoedelijk betreft het hier de soort Schwiebea eurynympha, een soort die ook in het waterleidingnet van Noord-Holland is aangetroffen (Smit et al. 2012).

Van de aangetroffen watermijten is bekend dat ze in hun natuurlijke habitat (oppervlaktewateren) een benthische levenswijze hebben en gedeeltelijk kunnen voorkomen in interstitieel water. Dit laatste past ook bij hun voorkomen in systemen voor de distributie van drinkwater. Tegelijkertijd werden ook enkele soorten aangetroffen, die al eerder werden waargenomen in water afkomstig uit drinkwaterleidingen (Lobohalacarus weberi, Schwiebea eurynympha). De meeste van deze soorten zullen zich naar verwachting voeden met deeltjes van organische oorsprong, die bezonken zijn in drinkwaterleidingen of die zich hechten aan wanden. Overigens is het voorkomen van ongewervelde dieren in drinkwaterleidingen (waaronder watermijten) niet schadelijk gebleken voor de volksgezondheid.

Literatuur

Bartsch, I. & H. Smit, 2006. Een checklist van de Nederlandse zeemijten (Acari: Halacaroidea). Nederlandse Faunistische Mededelingen 25: 25-32.

Bartsch, I., C. Davids, R. Deichsel, A. Di Sabatino, G. Gabry, R. Gerecke, T. Gledhill, P. Jäger, J. Makol, H. Smit, H. van der Hammen, G. Weigmann, A. Wohltmann & E. Wurst, 2007. Chelicerata: Araneae, Acari I. Süwasserfauna von Mitteleuropa 7/2-1. Elsevier Spektrum Akademischer Verlag, München.

Müller, H. & E.-B. Meidl, 2013. Beitrag zur Kenntnis der Wassermilbenfauna (Arachnida: Acari) des hyporheischen Interstitials von Fliegewässeren in Thüringen. Lauterbornia Heft 76: 47-68.

Müller, H., 2014. Neue Beiträge zur Wassermilbenfauna (Acari: Hydrachnidia, Halacaridae) Thüringens. Lauterbornia Heft 77: 23-30.

Smit, H., H. Boonstra, O. Duijts, B. van Maanen & R. Wiggers, 2012. Meer dan 250 soorten watermijten in Nederland (Acari: Hydrachnidia, Halacaridae). Nederlandse Faunistische Mededelingen 38: 95-113.

Ronald Munts

Bureau Waardenburg BV (Culemborg)

r.munts@buwa.nl

Ger-An de Jonge-Pinkster en Jörn Pilon

Aqualab Zuid BV (Werkendam)

gj.pinkster@aqualabzuid.nl / jj.pilon@aqualabzuid.nl

Nieuwe versies Handboek Hydrobiologie

De herziening van de KRW-maatlatten heeft ook gevolgen gehad voor het Handboek Hydrobiologie. Voor de meeste hoofdstukken konden de aanpassingen beperkt blijven. De verwijzingen naar de nieuwe maatlatdocumenten zijn opgenomen en in de werkvoorschriften voor macrofauna en vis zijn voor sommige watertypen kleine aanpassingen doorgevoerd in de uitvoering van de KRW-monitoring. Voor macrofauna gaat het om de determinatie van oligochaeten en watermijten in het type R8, voor vis om de inzet van de zegen in stromende wateren van 8 tot 20 meter breed.

Alleen het hoofdstuk Vegetatie is ingrijpend herschreven. Hier hebben de maatlataanpassingen de grootste consequenties gehad. Bovendien kon dit hoofdstuk wel wat verduidelijking gebruiken.

Naast de aanpassingen voor de nieuwe KRW-maatlatten zijn ook de errata op de oude versie van 2010 verwerkt. Van de hoofdstukken die aangepast zijn, is de versie-aanduiding gewijzigd van “september 2010” in “februari 2014”, “juli 2014”, of “september 2014”. De nieuwe versies zijn als pdf-bestand verkrijgbaar via de STOWA-site, http://www.stowa.nl, thema Handboek Hydrobiologie, item Het Handboek. Hier kan men ook het bestand downloaden dat alle wijzigingen noemt ten opzichte van de vorige versie 2010. De nieuwe versies zijn alleen als pdf via de STOWA-site verkrijgbaar.

Voor meer informatie: Ronald Bijkerk (beheerder Handboek Hydrobiologie namens STOWA)

email r.bijkerk@koemanenbijkerk.nl, telefoon 050- 820 00 17

Hoofdstuk 11 Vegetatie van het Handboek Hydrobiologie is ingrijpend herschreven. Met het oog op de KRW-beoordeling zijn instructieve figuren opgenomen.

Koeman en Bijkerk bv

Postbus 111

9750 AC Haren

Aankondiging en opgaveformulier voor de determinatiecursus Mollusca, 5 en 6 maart 2015 te Wageningen.

Beste mensen,

Aankomend jaar organiseren wij wederom een 2-daagse determinatiecursus. Dit keer komen de Mollusca aan bod. Anders dan gewend valt de cursus in het voorjaar.

De cursusdata zijn donderdag 5 en vrijdag 6 maart 2015. Dr. Michael Zettler van het Leibniz-Institut

für Ostseeforschung Warnemuende zal de cursus leiden.

De cursus vindt plaats in het Hof van Wageningen, Lawickse Allee 9, 6701 AN te Wageningen.

Door de aanpak en opzet van Michael is deze cursus zowel geschikt voor ervaren als beginnende determinandi. Voor beginners komen alle groepen aan bod. Ervaren determinandi kunnen zich meer richten op complexe coupletten binnen groepen. Naast inleidende presentaties over de verschillende groepen wordt zoveel mogelijk tijd besteed aan het determineren. Michael verzorgt het oefen materiaal om mee te determineren.

Tijdens de 1e dag ligt de nadruk op de Gastropoda. De 2e dag van de cursus worden de Bivalvia (inclusief Pisidium) behandeld. Naar behoefte van de deelnemers is het ook mogelijk om brakwater materiaal te determineren. In het programma is ruimte om eigen materiaal te laten checken voor een referentie collectie. Met nadruk wil ik vragen voor zowel brakwater soorten als materiaal voor een referentiecollectie, eigen materiaal mee te nemen. Daarnaast deelt Michael aan het eind van de cursus materiaal uit dat voor de eigen referentie collectie kan worden gedetermineerd en

meegenomen.

Naast het gebruiken van de bestaande determinatieliteratuur zal in de reader aandacht worden besteed aan het nieuwe Pisidium werk van Nicole Kerschbaumer. Met haar nieuw fotomateriaal hopen we meer duidelijkheid te verschaffen voor het tot soort determineren van Pisidium.

De kosten van de cursus bedragen € 825,- per persoon op basis van één overnachting in een 2-persoons-kamer. Het is mogelijk een 1-persoonskamer te boeken tegen een toeslag van € 50,-. Daarnaast is het mogelijk een binoculair (slechts een beperkt aantal beschikbaar) te huren voor een toeslag van € 30,-. De cursuskosten zijn inclusief 1 overnachting op een tweepersoonskamer, onbeperkt koffie en thee, ontbijt (1x), lunch (2x) en avondeten (1x). Alle bedragen zijn exclusief BTW.

Je kunt je voor de cursus opgeven door onderstaand formulier volledig in te vullen en via post of email te sturen naar dorine.dekkers@wur.nl. Op het formulier is het mogelijk een persoonlijke voorkeur voor een kamergenoot aan te geven. Bij onvoldoende deelnemers zal de cursus niet doorgaan.

Na inschrijving ontvang je een bevestiging. Nadere informatie over het programma, de locatie, routebeschrijving en huishoudelijke zaken worden enkele weken voor aanvang van de cursus toegezonden.

Ken je collega’s of mensen in je omgeving die mogelijk geïnteresseerd maar nog niet bekend zijn met onze determinatiecursussen of de macrofaunanieuwsmail niet ontvangen, zou je deze informatie dan willen doorsturen? Alvast bedankt!

Met vriendelijke groeten,

Dorine Dekkers
T.B.M. Dekkers

Zoetwatersystemen

Postbus 47, 6700 AA Wageningen

Bezoekadres: Wageningen Campus, Gebouw 100

Droevendaalsesteeg 3, 6708 PB Wageningen

Alterra, Wageningen UR

Tel: 0317-485397 (doorgeschakeld naar mobiel)

Email: dorine.dekkers@wur.nl

Chironomiden nieuws: Polypedilum

Henk Vallenduuk en David Tempelman

bicrenatum en P. pullum

Als je determineert met Moller Pillot 2009 kom je niet bij de soort Polypedilum pullum uit omdat deze soort ontbreekt in de sleutel. De soort P. scalaenum staat er wel in. Beide soorten komen in stromende wateren voor.

De larven van P. pullum zijn bekend. De larven hebben geen pigmentatie op het submentum maar lijken verder erg op die van P. bicrenatum. Bij larven van P. bicrenatum met een onduidelijke of ontbrekende pigmentatie kan dus onjuist gedetermineerd worden.

 Verschilkenmerken tussen beide soorten zijn:

kenmerk bicrenatum pullum Polypedilum pullum, antenne
antenne segment 5 niet aanwezig erg kort, 1,3-2,5 µm
lengte submentum 145-160 µm 105-145 µm

lengte procercus

60-70 µm

erg kort, ±15 µm

Larven van P. pullum zijn in Nederland in de Geul en de Swalm gevonden maar komen zeker in meer wateren voor. In Duitsland zijn ze gevonden in de Rijn en in Oostenrijk in de Attersee.

Wie de determinatie wil laten controleren kan materiaal opsturen zodat dit ook ter bestudering gebruikt kan worden.

scalaenum en P. apflebecki aggregaat

Er is ook nog een soort, mogelijk een soortengroep, P. afpfelbecki, bekend uit Italië (Rossaro, 1985) en Duitsland van snelstromende beken. De larven ervan lijken erg op die van P. scalaenum.

Omtrent P. apfelbecki agg. loopt nog een onderzoek. Bij de larven van deze soortengroep zijn de antenneleedjes 3-5 ook extreem kort en de kop is wat groter dan bij P. scalaenum.

kenmerk scalaenum apfelbecki (agg.)
kopbreedte 150-250 µm 300 µm
lengte submentum 63-85 µm 88-130 µm

Larven, die op P. apfelbecki agg. lijken zijn ons niet bekend uit Nederland.

Materiaal kan opgestuurd worden naar:

David Tempelman, Grontmij, Postbus 95125, 1090 HC Amsterdam

Henk Vallenduuk, Prof. Gerbrandystraat 10, 5463 BK Veghel

Literatuur

Moller Pillot, H.K.M. (2009): A key to the larvae of the aquatic Chironomidae of the North-West European Lowland. Provisional translation of “De Larven der Nederlandse Chironomidae, 1984” with many additions. Second edition, 2009b, with only minor corrections.

Rossaro, B. (1985): Revision of the genus Polypedilum Kieffer, 1912. I. Key to adults, pupae and larvae of the species known to occur in Italy.- Mem. Soc. ent. ital., Genova, 62/63: 3-23.

 

Stel je voor 1

Mijn naam is Wim Decock. Ik ben bioloog en ben al een jaar of 6 als wetenschappelijk medewerker verbonden aan het Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ) te Oostende.

Ik werk er in het datacentrum met enkele collega’s aan de uitbouw van het Wereldregister voor Mariene Soorten (WoRMS) : http://www.marinespecies.org/index.php

Het doel is een gezaghebbende en zo compleet mogelijke lijst van namen van mariene organismen wereldwijd. De inhoud van WoRMS wordt gecontroleerd door een groep van meer dan 200 experten van over de hele wereld, waarbij voor elke taxonomische groep 1 of meerdere taxonomische experten verantwoordelijk zijn voor de inhoud en de kwaliteit.

Wij ondersteunen de experten hierbij.

Groeten, Wim

Stel je voor 2

Mijn naam is Jonas Mortelmans. Ook ik werk op het VLIZ (Vlaams Instituut voor de Zee) als wetenschappelijk medewerker in het datacentrum (voornamelijk het Lifewatch project – lifewatch.be). In m’n privé ben ik voornamelijk bezig met insecten, met grote expertise in diptera – al loop ik vaak en graag op het strand.

In dit opzicht ben ik erg geïnteresseerd in de nieuwsbrief – welke ik leerde kennen via een collega die de identificatiefiche van grijze zwemkrab doormailde.

Tot zover m’n intro 😉 Groeten Jonas

Stel je voor 3

Mijn naam is Ester Fleers en ik ben werkzaam als Analist Hydrobiologie bij Aquon-Leiden.

Oorspronkelijk heb ik een chemische achtergrond, maar door een reorganisatie ben ik bij

Hydrobiologie terecht gekomen, waar eigenlijk ook mijn hart ligt.

Inmiddels werk ik hier alweer 3.5 jaar en houdt me bezig met zowel macrofauna als macrofyten.

Met pas bijna 4  jaar ervaring besef ik dat ik nog een “broekie” ben op dit vakgebied, maar door enthousiasme en leergierigheid hoop ik dit steeds verder uit te kunnen bouwen!

Groeten Ester

Zojuist verschenen!

Sloten, Ecologisch functioneren en beheer

 Hoe functioneren sloten in landelijk gebied? Deze nieuwe handleiding voor natuurbeheer presenteert de resultaten uit actueel ecolo­gisch onderzoek en geeft nodige achter­grondinformatie. Aan bod komen fysische en biologische processen in sloten, degradatie en herstelmaatregelen, mo­nitoring, beoordeling en de toekomst. Een complete informatiebron voor ecologen, (water) beheerders en studenten.

 

Auteurs:               Edwin Peeters, Annelies Veraart, Ralf Verdonschot, Jeroen van Zuid

Jeroen Klein, Piet Verdonschot

Uitgever:               KNNV Uitgeverij ism STOWA en Wageningen UR

Uitvoering:            160 pag., 17 x 24 cm, full colour, genaaid gebonden

ISBN:                     9789050115094

Prijs:                      € 29,95

 Verkrijgbaar in de boekhandel en  via www.knnvuitgeverij.nl

Aquatische Ecologie in Nederland

Dit nieuwe standaardwerk geeft een grondig én actueel overzicht:

Functioneren en beheren van zoete en brakke aquatische ecosystemen;

    • Fysische, chemische en biologische basisprincipes en interacties daartussen;
    • Betekenis van omgevingsfactoren en menselijke invloeden;
    • Handvatten voor goed beheer en analyse van het systeemfunctioneren;
    • Aandacht voor beleid, wet- en regelgeving;
    • Rijk geïllustreerd met full colour foto’s, tabellen en grafieken.

Tot 14 november 2014 te bestellen bij voorintekening.

Daarna via de boekhandel en KNNV Uitgeverij

  

Einde macrofaunaniewsmail 118        

Macrofaunanieuwsmail 117, 24 september 2014

Beste lezers,

Voor u ligt een goed gevulde nieuwsmail met veel nieuwe soorten uit zowel het zoete als het brakke en mariene milieu. Geweldig. Alle schrijvers hartelijk dank.

Ook is er een vacature.

 Herfst, de dagen worden weer korter,

tijd om weer te schrijven?

Geniet van de verkleuring van de bladeren, en als je wat ziet, hoort of leest, Stuur je berichten naar

            macrofauna@rws.nl.

 Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

 http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

Is uw email adres gewijzigd…….geef het door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

Verzoek / oproep keversoorten………………………………………………………………………………… 2

‘Breng je schelp’………………………………………………………………………………………………………. 2

Bratislavia palmeni, een nieuwe oligochaet voor Nederland………………………………………. 4

Mysidopsis gibbosa en Heteromysis microps, twee nieuwe mariene aasgarnalen voor Nederland        6

Vacature-aankondiging:……………………………………………………………………………………………. 9

Parachironomus vitiosus larven herkennen…………………………………………………………….. 10

Parougia eliasoni (Polychaeta: Dorvilleidae) nieuw voor de Nederlandse fauna……….. 11

Herkenning van Liocarcinus vernalis (grijze zwemkrab)………………………………………….. 13

Voorinteken actie: ………………………………………………………………………………………………….. 15


Verzoek / oproep keversoorten

Beste collega,

Vanuit Engeland vraagt een kennis mij om levende dieren van de volgende keversoorten: Enochrus fuscipennis, ochropterus or quadripunctatus.

Men wil hiermee kweken en fysiologisch onderzoek doen. Kunnen jullie mij mailen wanneer je een vindplaats weet waar waarschijnlijk deze soort of soorten in grote aantallen te vinden zijn?

Gert van Ee, Gvane45@kpnmail.nl

Hieronder het verzoek van David Bilton:

I wonder, do you ever find Enochrus fuscipennis, ochropterus or quadripunctatus in large numbers?  We are trying to get hold of material for some physiological work on the evolution of salinity tolerance in the genus, and are struggling in the UK……  If you do know of good sources for these species, any chance you may be able to send some this Summer?  Hope you don’t mind me asking – we have good data on the saline water species from southern Europe, as these often occur in the thousand, but FW relatives are proving more difficult!

Best Wishes, Dave

Dr. David T. Bilton

Associate Professor and Reader in Aquatic Biology

Marine Biology & Ecology Research Centre

‘Breng je schelp’

In 2014 bestaat de Nederlandse Malacogische Vereniging (NMV) 80 jaar. Om dat te vieren organiseren we in nauwe samenwerking met diverse musea, bezoekerscentra en regionale schelpenwerkgroepen de landelijke manifestatie ‘Breng je schelp’ op 13 locaties in heel Nederland.

‘Breng je schelp’ is een initiatief van de 80-jarige Nederlandse Malacologische Vereniging, de club waarin liefhebbers van schelpen, slakken en andere weekdieren elkaar ontmoeten. Op een ‘Breng je schelp’- dag kan iedereen langskomen met zelf gevonden schelpen en slakken waar hij of zij graag meer over wil weten. Deskundigen (die zichzelf ‘malacologen’ noemen) maken bezoekers wegwijs in de wondere wereld van de weekdieren en ze kunnen veel vertellen over meegebrachte schelpen en horens. Wie weet zit daar wel een echte schat tussen! Het wordt dus een soort ‘Tussen kunst en kitsch’ voor schelpen en slakken, en dan zelfs nog een beetje meer. Want op een aantal plekken worden films en video’s vertoond of zijn kleine tentoonstellingen te bewonderen. Ook lezingen maken hier en daar deel uit van het programma, en soms kun je zelf lekker grabbelen in een bak met schelpen om daar vervolgens meer over te weten te komen.

Op zaterdag 27 september a.s. start ‘Breng je schelp’ in Naturalis Biodiversity Center, Leiden, om daarna gedurende de herfst van 2014 in alle hoeken van ons land op te duiken. ‘Breng je schelp’ is bedoeld voor iedereen, van jong tot oud en van beginnende tot meer ervaren schelpenliefhebbers. Het maakt niet uit of je met schelpen komt van het Nederlandse strand, uit Frankrijk of uit een ver tropisch oord, of ze vers zijn of fossiel: we proberen je te helpen en meer te vertellen over je vond­sten. Op een aantal plaatsen is ook een deskundige aanwezig voor meegebrachte fossielen. En als je gewoon geinteresseerd bent en geen schelp hebt om mee te brengen, ben je ook van harte welkom!

Wie zijn wij?

De landelijke vereniging van schelpenverzamelaars en – liefhebbers heet de Nederlandse Malacolo­gische Vereniging. De vereniging is opgericht in 1934 en heeft momenteel enige honderden leden in binnen- en bui­ten­land, zowel profes­sionals als liefhebbers. De belang­stelling van onze leden varieert; van schelpen en slakken (weekdieren) in het algemeen tot meer gericht, bijvoorbeeld op een be­paald gebied of een bepaalde groep.

Veel leden willen hun interesse in mollusken graag met anderen delen. Tijdens landelijke en regionale bij­eenkomsten wisselen ze infor­ma­tie uit en hel­pen ze elkaar met het determi­neren van soorten. Ook gaan ze af en toe met elkaar op excursie naar interessante gebieden. Vaak is dat in eigen land, maar er zijn ook excursies naar buitenlandse bestemmingen.

Contact: Jaap de Boer, 06-33364703 of j.h.de.boer@kpnmail.nl

Locatie Datum & tijd
Naturalis Biodiversity Center, LiveScience Zaal 4e verdieping, Darwinweg 2, Leiden 27/9 – 11-16 uur
IVN Stein de ‘Boschhook’,

Steinerbos 2A, Stein (LB)

4 en 5/10 – 13.30-16.30 uur
Het Natuurhistorisch,

Westzeedijk 345, Rotterdam

4/10 – 11-17 uur

5/10 – 15 u – lezing

Muzeeaquarium Delfzijl,

Zeebadweg 7, Delfzijl

11 en 14-18/10 – 13-16 uur
Ecomare,

Ruijslaan 92, De Koog – Texel

16/10 – 11-16 uur
Miramar Zeemuseum,

Vledderweg 25, Vledder

18/10 – 10-17 uur
Boekhandel Van der Meer/Het Cultuurcafe, Vuurtorenplein 10, Noordwijk 18/10 – 11-16 uur
Natuurhistorisch Museum Maastricht,

De Bosquetplein 7, Maastricht

 

19/10 – 14-17 uur
Museum Twentse Welle,

Het Rozendaal 11, Enschede

 

1/11 – 11-16 uur
Natuurpark Lelystad,

Vlotgrasweg 11, Lelystad

 

1/11 – 10-16 uur
Muzee,

Neptunusstraat 90-92, Scheveningen

 

15/11 – 10-17 uur
Natuurmuseum Fryslân,

Schoenmakersperk 2, Leeuwarden

 

22/11 – 11-17 uur
Werkgroep Geologie Zeeland,

MEC De Bevelanden, De Hollandsche Hoeve, Kattendijksedijk 23, Goes)

29/11 – 10-16 uur
 

Detailprogrammering per locatie is/komt beschikbaar op de website van de NMV: www.spirula.nl.


Bratislavia palmeni, een nieuwe oligochaet voor Nederland

 

Inleiding

Recent kreeg ik van Henk Vallenduuk wat oligochaeten toegestuurd om te behouden voor mijn collectie. Eén van de preparaten die ik van hem kreeg was geëtiketteerd als Dero obtusa 3x en Lumbriculus variegatus juv., omg. Oirschot, Mortelen, Kloosterman, 29.xii.1994. Omdat Dero obtusa nogal schaars is, besloot ik deze aan een nadere studie te onderwerpen. Doch wat schetst mijn verbazing, het was zelfs geen Dero doch een andere naidide, te weten Bratislavia palmeni (Munsterhjelm, 1905), een soort die bij deze nieuw is voor Nederland. Ik kan meteen melden dat dit Henk niet valt te verwijten omdat deze soort (als Naidium palmeni) in 1994 nog niet goed in de toen gebruikelijke publikaties aanwezig was (Brinkhurst 1971, Sperber 1948; Sperber 1950, Brinkhurst & Jamieson, 1971). Door deze auteurs werd Naidium palmeni nog als een slecht beschreven soort beschouwd. Tegenwoordig heet ze Bratislavia palmeni en is vrij goed beschreven o.a. door Timm (2009), Košel (1976) en Sporka et al. (2008).

Herkenning

Voor de determinatie van deze soort kan Timm (2009) worden geraadpleegd. Deze naidide worm lijkt op een Pristina soort: de dorsale bundels met bifide naaldborstels en haren beginnen in segment III. De naalden lijken door de twee lange tanden enigszins op die van een Nais elinguis, doch de ventrale borstels hebben ongeveer gelijke tanden, dit in tegenstelling tot Nais elinguis.

Bratislavia palmeni met van links naar rechts de voorste ventrale chaetae, de achterste ventrale chaetae, de voorste dorsale naaldborstel en een detail van een naaldborstel uit het middenlijf.

Waarneming

Deze soort werd met drie exemplaren aangetroffen in de Mortelen, een kwelgebied met kleine greppels en poelen in de buurt van Oirschot. Kloosterman heeft 2 watertjes, een permanente poel en een ondiep temporair plasje met wilg erlangs. In de laatste werd B. palmeni gevonden op 29.xii.1994 (RD149.60/394.15).

Verspreiding en ecologie

  1. palmeni is beschreven door Munsterhjelm aan de hand van Fins materiaal in 1905 en is daarna gevonden (vaak onder de namen Pristina elegans of P. napocensis) in Rusland, Oostenrijk, Slowakije, Roemenië en Estland (Košel 1976: Sporka et al. 2008). De soort wordt gevonden in temporaire milieus, iets wat ook goed past bij deze Nederlandse waarneming. Het is opmerkelijk dat de soort nooit eerder in Nederland, België noch Duitsland is gevonden; de soort ontbreekt daarom ook in het vorig jaar verschenen oligochaetenboek (Van Haaren & Soors 2013).

Dankwoord

Henk Vallenduuk wordt bedankt voor het doorgeven van zijn materiaal.

Literatuur

Brinkhurst, R.O. & B.G.M. Jamieson 1971. The aquatic oligochaeta of the world. Oliver & Boyd, Edinburgh, pp860.

Brinkhurst, R.O. (1971). A guide for the Identification of British Aquatic Oligochaeta. – Freshwater Biological Association, Scientific Publication 22. 2nd edition, revised.WWWUrl: http://www.freshwaterlife.org/id_home.jsp

Košel, V. (1976). Bratislavia gen. nov. a new genus for Pristina elegans Finogenova, 1966 (Oligo- chaeta: Naididae).-Biologia, Bratislava 31: 105-108, Bratislava

Sperber, C. (1948). A taxonomical study of the Naididae. Zoologiska Bidrag från Uppsala 28:1-296, Uppsala.

Sperber, C. (1950). A guide for the determination of European Naididae. Zoologiska Bidrag från Uppsala 29: 45-78.

Sporka, F., T. Ofenböck & W. Graf (2008). Bratislavia palmeni (Munsterhjelm, 1905) (Naididae) and Peipsidrilus   pusillus   Timm,1977   (Tubificidae)   two   rare Oligochaeta species new to the Austrian fauna. Lauterbornia 63:15-22.

Timm T. (2009). A guide to the freshwater Oligochaeta and Polychaeta of Northern and Central Europe. Lauterbornia 66: 1-235.

Van Haaren, T. & J. Soors (2013). Aquatic oligochaeta of the Netherlands and Belgium. KNNV uitgeverij, Utrecht.

Ton van Haaren

Grontmij | team ecologie

Amsterdam

Mysidopsis gibbosa en Heteromysis microps, twee nieuwe mariene aasgarnalen voor Nederland

Inleiding

Sinds een aantal jaren voert Grontmij | team ecologie regelmatig projecten uit voor Rijkswaterstaat, waarin mariene benthos bemonsterd en/of geanalyseerd dient te worden. Dit heeft de laatste jaren een aantal leuke soorten opgeleverd waarover mijn collega’s Lilian en David ook in deze nieuwsmail rapporteren. In dit stuk ga ik in op twee aasgarnalen die, voor zover ik kan overzien, nog niet eerder uit Nederland zijn gemeld, namelijk Heteromysis microps en Mysidopsis gibbosa.

Determinatie

Van oudsher worden de Nederlandse aasgarnalen gedetermineerd met de publicatie van Borghouts-Biersteker (1983). Twee tegenwoordig algemene soorten, de in zoetwater voorkomende exoten Limnomysis benedeni en Hemimysis anomala en de recent aangetroffen mariene exoot Neomysis americana (Wittmann et al. 2012) ontbreken echter in dit werk. Behalve deze exotische soorten, blijken nog twee soorten te ontbreken in de publicatie van Borghouts-Biersteker (1983): Heteromysis microps en Mysidopsis gibbosa.. Voor mariene aasgarnalen kun je niet om de publicatie van Tattersall & Tattersall (1951) heen. Ook al is deze veel ouder dan die van Borghouts-Biersteker (1983), ze is veel completer; slechts Neomysis americana wordt niet in Tattersall & Tattersall (1951) behandeld. Ik probeer hieronder een provisorische tabel te geven tot de genera van Nederlandse zoet- en zoutwateraasgarnalen, met nadruk op deze twee nieuwe soorten. De genera Praunus, Siriella, Leptomysis, Neomysis en Schistomysis worden hieronder niet verder uitgesleuteld; hiervoor zijn beide andere genoemde werken bruikbaar.

  1. Op het voorlaatste achterlijfssegment staat een dorsale stekel……………………………………….. Gastrosaccus spinifer

–           Geen stekel op een achterlijfssegment………………………………………………………………………………………………………… 2

2           Telson kort, slechts weinig langer dan breed met aan elke zijde een grote doorn              ……………………………………………………………………………………………………………………………………. Mesopodopsis slabberi

–           Telson langer, veel langer dan breed…………………………………………………………………………………………………………… 3

  1. Telson aan de achterrand concaaf tot diep ingesneden………………………………………………………………………………. 4

–           Telson aan de achterrand niet ingesneden………………………………………………………………………………………………….. 9

  1. Achterrand van het telson concaaf ingesneden met een aantal groffe doorns. Zoete soort ……………………………………………………………………………………………………………………………………… Limnomysis benedeni

–           Achterrand van het telson diep ingesneden. Zoute soorten…………………………………………………………………………. 5

  1. Buitenrand van de exopodiet van de uropoden uitsluitend met doornen bezet. Langs elke zijrand van het telson staan 5-7 doornen……………………………………………………………………………………………………………………………………. Gastrosaccus sanctus

–           Buitenrand van de exopodiet van de uropoden met haren bezet…………………………………………………………………… 6

  1. Antennale schub zonder een grote zijtand aan de buitenzijde……………………………………………………………………….. 7

Antennale schub met een grote zijtand aan de buitenzijde…………………………………………………………………………….. 8

7           Antennale schub glad aan de buitenzijde. Oosterschelde………………………………………………… Hemimysis lamornae

Antennale schub geheel rondom behaard. Noordzee………………………………………………………. Heteromysis microps

  1. De top van de antennale schub steekt niet of weinig voorbij de zijstekel………………………………………. Praunus ssp

–           De top van de antennale schub steekt ver voorbij de zijstekel………………………………………………. Schistomysis ssp

  1. telson aan het uiteinde recht afgesneden en bestaande uit kleine fijne doorntjes. In zoet water ……………………………………………………………………………………………………………………………………….. Hemimysis anomala

–           Telson aan het uiteinde spits tot stomp. In brak en zout water…………………………………………………………………….. 10

  1. Telson tongvormig, de randen ervan met vele, afwisselend, grote en kleine doorns. Lichaam slank…………… 11

–           Telson met weinig randdoorns, 2 eindstekels en 2 zwart vlekken aan de basis. Lichaam kort en breed ………………………………………………………………………………………………………………………………………… Mysidopsis gibbosa

  1. Exopode van de uropode met een duidelijke distale dwarslijn, waardoor deze uit 2 delen lijkt te bestaan. Antennale schub aan het uiteinde afgerond en aan de zijrand glad eindigend in een grote stekel…………………………………………………………….. Siriella

–           Exopode van de uropode zonder een distale dwarslijn. Antennale schub lang en spits, aan beide zijden behaard ………………………………………………………………………………………………………………………………….. Leptomysis & Neomysis

Heteromysis microps (G.O. Sars, 1877)

Deze mariene aasgarnaal is vrij eenvoudig te herkennen aan de antennale schub die rondom geheel behaard is, in combinatie met het diep ingesneden telson (Tattersall & Tattersall, 1951). Deze soort lijkt sprekend op de niet inheemse Heteromysis formosa Smith en H. armoricana Nouvel. Bij H. armoricana zijn de randdoorns van het telson over de gehele lengte ervan verspreid, terwijl die bij H. formosa en H. microps beperkt zijn tot het distale deel en dus een onbestekeld (kaal) proximaal deel hebben. H. microps heeft op de endopode van de uropode, nabij de statocyst (dat ronde oog aan de basis) een stekel staan, welke ontbreekt bij H. formosa.

Antennale schub

Heteromysis microps, antennale schub van een exemplaar van de Oestergronden, waarin goed te zien is dat ze omgeven is door alleen haren.

Heteromysis microps uropode (let op stekel bij statocyst aan basis van de endopode) en telson (fig 117C, D in Tattersall & Tattersall, 1951)

Waarnemingen

  1. microps is op meerdere plaatsen op de Oestergronden waargenomen, met name in of nabij het Friese Front: lokatie OYS21, 53°46’04“N 4°46’03”E, 39.2 m diep, 5.iii.2009, n=1; OYS17, 54°00’21”N 3°25’08”E, 43.2m diep, 9.iii.2010, n=1; OYS20, 54°05’00”N 2°51’51”E, 51m diep, 9.iii.2010, n=1; OYS11, 53°55’30”N 5°10’00”E, 39m diep, 6.iii.2010, n=1; OYS31, 53°50’42”N 4°09’06”E, 42.9m diep, 20.iii.2012, n=1; OYS37, 54°09’04”N 4°20’27”, 49m diep, 6.iii.2012, n=2.

Tattersall & Tattersall (1951) melden over deze soort dat ze zeer zeldzaam is en alleen bekend is van het typemateriaal uit de Tunesische golf in 1877 en een exemplaar nabij Plymouth in 1938. Gezien het aantal waarnemingen door ons in de Oestergronden is de soort waarschijnlijk minder zeldzaam. In tegenstelling tot veel andere aasgarnalen heeft H. microps wel een benthische levenwijze (Tempelman et al. 2009) en kan dan eerder aangetroffen worden in box-core monsters dan in net (trawl)monsters. Mogelijk zijn in het verleden nooit aasgarnalen opgevoerd in benthos-rapporten vanwege de veronderstelling dat aasgarnalen in het algemeen epibenthisch zijn. Door van Moorsel (2003) wordt de soort vermeld van de klaverbank en Tempelman et al. (2009) meld de soort van locatie OYS32 (Friese Front).

Mysidopsis gibbosa G.O. Sars, 1864

  1. gibbosa is een relatief korte en dikke soort met knobbels op het borststuk, ofschoon deze laatste bij bij het geconserveerde materiaal niet heel goed te zien was. Doch is deze soort goed te herkennen aan het niet ingesneden telson met 2 duidelijk terminale doorns en met gepaarde zwarte stippen aan de basis. Verder is de antennale schub rondom behaard en op de oogbasis staat een dorsale stekel, doch zijn deze kenmerken niet uniek voor deze soort.
  2. gibbosa, fig 83A, B en 84E in Tattersall & Tattersall,1951
  1. gibbosa, achterlijf met typisch telson; let op de zwarte vlekken. (exemplaar van de zandmotor).

Waarneming

In een monster genomen op de zandmotor voor de Zuid-Hollandse kust werd 1 ex. aangetroffen.

Zandmotor vooroever lokatie 98 (NZZMT2_98), RD ca 74/445; 21.viii.2012, n=1, 8.7 m diep.

Tattersall & Tattersall (1951) melden over deze soort dat ze vooral aan de kust te vinden is, vooral nabij zeewier. Ze is eerder aangetroffen in Groot-Brittanië, Noorwegen, Denemarken, de Belgische Noordzee en het Middellandse Zeegebied.

Discussie

In enkele jaren tijd zijn enkele nieuwe soorten aasgarnalen opgedoken langs onze kust. Mogelijk komen hier nog wel meer soorten voor of zijn te verwachten. Ook via het Donau-Mainkanaal zouden nog wel eens nieuwe (zoetwater)soorten kunnen arriveren.

 

Literatuur

Borghouts-Biersteker, C.H. (1983). Aasgarnalen (Mysidacea). Tabellenserie van de strandwerkgemeenschap 25.

Tattersall, W.M. & O.S. Tattersall (1951). The british Mysidacea. London.

Tempelman, D., J.T. van der Wal, G. van Moorsel, M. de Kluijver, W. Lewis, J. van Dalfsen & T. Vanagt (2009). The Macrobenthic Fauna in the Dutch Sector of the North Sea in 2006 and a comparison with previous data, REVISED EDITION. Commisioned by: Waterdienst. Grontmij|AquaSense report no. 202462. Amsterdam, 58p.+ Appendices.

Van Moorsel 2003, G.W.N.M. (2003) Ecologie van de Klaverbank. BiotaSurvey 2002. Ecosub, Doorn, 157 pp.

Wittmann, K.J., T.J. Vanagt, M.A. Faasse & J. Mees (2012). A New Transoceanic Invasion? First Records of Neomysis americana (Crustacea: Mysidae) in the East Atlantic. The Open Marine Biology Journal, 2012, 6, 62-66.

Ton van Haaren

Grontmij | team ecologie

Amsterdam

Vacature-aankondiging:           

 

Bij het Centrum Monitoring Vectoren (onderdeel van de NVWA) is er tijdelijk (in principe voor 2 jaar) ruimte voor iemand die graag identificatiewerkzaamheden wil verrichten op het gebied van steekmuggen, teken en knutten. Het betreft een aanstelling op HBO-niveau in Wageningen en biedt veel uitdaging en divers werk in een klein team. Zie voor de volledig tekst:

https://www.werkenvoornederland.nl/vacatures/detail/onderzoeksmedewerker-team-plagen-centrum-voor-monitoring-vectoren-cmv

Let op: sluitingsdatum al 30 september!

Parachironomus vitiosus larven herkennen.

Henk Vallenduuk

Over de naam P. vitiosus is al veel geschreven de laatste tijd. Ik neem aan dat iedereen nu weet dat alle determinaties van P. biannulatus met de sleutel van Henk Moller Pillot ook P. vitiosus is.

Ter verduidelijking voor het herkennen: De soort P. vitiosus heeft bleke mentumtanden en de middentand heeft een inkeping. Bij P. biannulatus zijn de tanden duidelijk gepigmenteerd en is de middentand min of meer driehoekig.

Onlangs zijn de larven van P. biannulatus ook in Nederland verzameld. Ze zijn gevonden in het zoetwater getijde gebied nabij Werkendam. De soort is te herkennen aan opvallend grove striae op de ventromentale plaat. Omdat de striae van het voorste deel van de plaat en de lob met elkaar verbonden zijn, hebben ze de vorm van een veer.

  1. biannulatus. Ventromentale plaat,

striae als een veer

Bij alle andere soorten is er een “vrije” ruimte tussen beide delen van de plaat (zie foto P. vitiosus).

Er is echter ook ontdekt dat de soort P. cinctellus sterk op P. vitiosus lijkt. Het enige goede verschil dat ik heb kunnen vinden zit in de lengte van apicale mandibeltand.

Gebruikte afkortingen en termen:

MaT L = lengte apicale mandibeltand; MaT-R = ratio apicale mandibeltand/breedte van de 2 binnentanden; HW = kopbreedte; crenules = aantal ribbels op de rand van de ventromentale plaat.

species MaT L MaT-R HW crenules
vitiosus 15-20 µm 0,8-0,9 300-350 µm circa 9
cinctellus ± 22,5 µm 1,1 ? circa 500 µm 12-14

Op de foto is te zien dat het erop lijkt dat de mandibel een dorsale tand heeft bij P. vitiosus en bij P. cinctellus niet.

Van P. cinctellus is slechts 1 exemplaar bekend. Deze is gevonden in een plantenrijke visvijver met Goudvissen in een privé-tuin.

Vriendelijk verzoek om materiaal dat mogelijk P. cinctellus kan zijn op te sturen naar:

Henk Vallenduuk, Prof. Gerbrandystraat 10, 5463BK Veghel.

  1. vitiosus. Ventromentale plaat, striae met een vrije ruimte, en mandibel
  2. cinctellus. Mandibel met lange eindtand

Parougia eliasoni (Polychaeta: Dorvilleidae) nieuw voor de Nederlandse fauna

Inleiding

In 2011 heeft Rijkswaterstaat samen met de provincie Zuid Holland een schiereiland aangelegd voor de kust van Ter Heijde: de Zandmotor. De Zandmotor dient als kustbescherming en vormt een belangrijk natuur- en recreatiegebied. Om het effect van de Zandmotor op de natuurontwikkeling te bepalen wordt onderzoek gedaan. Zo wordt jaarlijks het bodemleven gemonitord in de vooroever, de kustzone en de lagune. In de monsters van de vooroever van 2013 werd de kleine polychaet Parougia eliasoni (Oug, 1978) aangetroffen. Het genus Parougia behoort tot de familie Dorvilleidae. Van het genus werden nog niet eerder meldingen van vondsten in Nederlandse wateren gedaan. Of het daadwerkelijk om P. eliasoni gaat is nog niet zeker.

Beschrijving

Parougia eliasoni is erg klein en wordt maximaal 10 mm lang. De kop is rond en heeft vier lange uitsteeksels, waarvan twee antennes en twee palpen. De zijkanten van het lichaam hebben aan ieder segment lobben (parapodia), zowel dorsaal (notopodia) als ventraal (neuropodia). Deze lobben dragen ook borstels (chaetae). De staart (pygidium) draagt twee lange slierten en een korte sliert.

Maar wat kenmerkend is voor dit genus (en wat ook soortbepalend is), zijn de interne monddelen. Dit zijn harde, hoornachtige structuren die bestaan uit meerdere platen die geribbeld of getand zijn (de maxillen en mandibels, d.z.w. de kaken aan resp. de buik- en rugzijde).

P.eliasoni: fig 122 uit Hartmann-Schröder (1996).

  1. eliasoni: mandibels (links) en voorste maxillen (rechts) van een exemplaar uit de Zandmotor

(foto Grontmij)

 

 

Determinatie

 

Er zijn meerdere soorten van het genus Parougia. In Hartmann-Schröder (1996) wordt naast P. eliasoni alleen nog P. nigridentata beschreven. Deze laatste soort verschilt van P.eliasoni door andere parapodia en antennen met minder leden. Bovendien is de laatste soort alleen bekend van de Noordelijke Noordzee. De kaakstructuren van ons exemplaar vonden wij sterk lijken op de afbeeldingen die in Hartmann-Schröder staan afgebeeld (zie hierboven). Echter volgens Tim Worsfold (APEM) is P. caeca de soort die in ondiep water het meest voorkomt. Naar aanleiding van een artikel over Dorvilleidae van Oug (1978) hebben we foto’s opgestuurd naar Eivind Oug (NIVA, Noorwegen). Van hem kregen wij het volgende antwoord:

“The jaws of your specimens may look like the jaws of P. caeca, but I think it is necessary to check some other characters as well. There are mainly three characters that separates the species: the number of ‘lateral teeth’ on superior row denticles in the maxillae, the presence/absence of a suprachaetal lobe on the parapodium, and the length of the tines of the furcate chaetae. (…) Parougia caeca is a North American species. It may occur in European waters as well, but I have not seen it myself from European waters. In Skagerrak P. eliasoni is the common one, and in northern Norway P. nigridentata occurs. But there are something more around. Govaere (1976) published a report on P. caeca (then Stauronereis caecus) from the southern North Sea where he illustrated some bristles which I have never seen in our species.”

Omdat er nog veel onduidelijkheid is over waar de verschillende soorten al dan niet voorkomen, hebben we de soort vooralsnog als Parougia eliasoni benoemd.

Vondsten

In het najaar van 2013 zijn in de zandmotor (RD ca 74/445) vooroever lokaties (106 en 120) in totaal 18 exemplaren gevonden. Ze waren gevonden in zandig substraat op enkele meters diep.

Discussie

De morfologische kenmerken van onze exemplaren vertonen grote gelijkenissen met Parougia eliasoni. Echter is het wat betreft de vindplaats waarschijnlijker dat het om Parougia caeca gaat. Verdere bestudering van de exemplaren en onderzoek naar de verschillende soorten en hun voorkomen is dus noodzakelijk.

Dankwoord

Eivind Oug (NIVA, Noorwegen) voor zijn hulp aan de hand van de opgestuurde foto’s. David Tempelman en Ton van Haaren (beide Grontmij) en Godfried van Moorsel (Ecosub) voor hun bijdrage aan de determinaties.

 

Literatuur

Hartmann-Schröder, G. (1996). Die Tierwelt Deutschlands 58. Teil. Annelida, Borstenwürmer, Polychaeta. 2., neubearbeitete Auflage. Gustav Fischer Verlag, Jena-Stuttgart-Lübeck-Ulm. p275.

Oug, E., 1978. New and lesser known Dorvilleidae (Annelida, Polychaeta) from Scandinavian and northeast American waters. Sarsia, 63, 285-303.

Lilian de Vos

Grontmij | team ecologie

Amsterdam

Herkenning van Liocarcinus vernalis (grijze zwemkrab)

David Tempelman

Zwemkrabben (Decapoda, Polybiidae) zijn vrij grote krabben, waarvan enkele soorten in Nederland algemeen voorkomen. Adema (1991a) noemt vijf soorten: L. navigator (in Adema 1991a nog L. arcuatus genoemd), L. pusillus, L. depurator, L. holsatus en L. marmoratus. Van deze soorten is vooral de Gewone zwemkrab Liocarcinus holsatus is algemeen. Voor de verschillen zie de determinatiesleutel in Adema (1991a). Individuen van deze soorten met een carapaxbreedte van 1 cm of meer zijn zo eenvoudig uit elkaar te houden.

Toch is het opletten met zwemkrabben. Sinds enige tijd wordt namelijk ook de Grijze zwemkrab Liocarcinus vernalis aangetroffen langs onze kusten. Ook in de monsters van de Zandmotor (voor de kust bij Scheveningen) zaten veel zwemkrabben. Hiertussen troffen wij enkele exemplaren aan van de grijze zwemkrab.

De determinatie was eerst problematisch. Adema (1991) gebruikt o.a. de volgende kenmerken: zijkant van de carpus van de schaarpoot en middentand van de carapax. Ingle & Clark (1998) noemen een derde kenmerk, namelijk de vorm van de merus van de laatste poot. Volgens Tim Worsfold (APEM) is het verschil in de carpus van de schaarpoot niet erg bruikbaar om beide soorten te onderscheiden. Hij kijkt eerst naar de middentand. Bij L. holsatus steekt die tand verder uit dan de eerste zijtanden (Fig. 1) en bij L. vernalis nauwelijks; vervolgens wordt naar de vorm van de merus van de achterste poot gekeken. Bij L. holsatus is deze kort en dik in vergelijking tot de merus van L. vernalis.

Onderstaande foto’s maken het verschil tussen beide soorten duidelijk.

 

Fig. 1 Voorste deel van de carapax,

links: L. vernalis (Zandmotor 419082),                        rechts: L. holsatus (Zandmotor 419089).

 

Fig. 2 Laatste poot

links: L. vernalis (Zandmotor 419082),                        rechts: L. holsatus (Zandmotor 419089). m = merus

De soort is weliswaar niet nieuw in ons land, maar wie weet gaan er wel eens grijze zwemkrabben schuil onder als gewone zwemkrab gedetermineerde exemplaren. Mogelijk is deze eerstgenoemde algemener (aan het worden?) dan we dachten.

Dankwoord

Met dank aan Tim Worsfold (APEM Ltd.) voor zijn toelichting bij de determinatie van Grijze zwemkrabben en voor het opmerkzaam maken van het artikel van Ingle & Clark; aan Godfried van Moorsel (Ecosub) en Ton van Haaren (Grontmij) voor hun determinaties binnen het project Zandmotor en hun commentaar op deze notitie.

Referenties

Adema, J.P.H.M. (1991a). De krabben van Nederland en België (Crustacea, Decapoda, Brachyura). Nationaal Natuurhistorisch Museum. Leiden, 244p.

Adema, J.P.H.M. (1991b). Een aanvulling op: “De Krabben van Nederland en België”: De grijze zwemkrab Liocarcinus vernalis (Risso, 1816) in de Noordzee gevonden. Het Zeepaard 51: 110-115.

Ingle, R.W. & P.F. Clark (1998). A swimming crab new to the British fauna, Liocarcinus vernalis (Crustacea: Brachyura: Portunidae). J. Mar. Biol. Ass. U.K. 78: 223-229.


VOORINTEKENACTIE 

Bestel nu met 15% korting!

compleet én actueel standaardwerk voor aquatisch ecologen & waterbeheerders 

Het beheer van zoet- en brakwatergebieden vereist een diepgaande kennis van hun complexe ecologie.

Dit nieuwe standaardwerk geeft een grondig én actueel overzicht:

Functioneren en beheren van zoete en brakke aquatische ecosystemen;

  • Fysische, chemische en biologische basisprincipes en interacties daartussen;
  • Betekenis van omgevingsfactoren en menselijke invloeden;
  • Handvatten voor goed beheer en analyse van het systeemfunctioneren;
  • Aandacht voor beleid, wet- en regelgeving;
  • Rijk geïllustreerd met full colour foto’s, tabellen en grafieken.

Onmisbaar voor aquatisch ecologen, docenten, studenten en waterbeheerders.

Auteur Henk Hoogenboom is praktisch adviseur en docent op het gebied van water, natuur, landschap en milieu.

KNNV Uitgeverij in samenwerking met STOWA | 432 p. | 21 x 28 cm | full colour | ISBN 9789050114875 | € 52.95 http://www.knnvuitgeverij.nl/NL/webwinkel/hydrobiologie/0/49890

Vanaf medio november verkrijgbaar via de boekhandel en KNNV Uitgeverij

Teken nu in voor ‘Aquatische ecologie’ en ontvang € 8,- korting. U betaalt dus geen € 52,95 maar € 44,95. Stuur vóór 15 november 2014 een bericht naar info@knnvuitgeverij.nl o.v.v. ‘voorintekenactie  Aquatische ecologie’.

Zodra deze titel is verschenen ontvangt u het boek (zonder extra verzendkosten) met een factuur erbij.

Vergeet niet uw naam en adres te vermelden en het aantal exemplaren.

Deze actie is geldig t/m 14 november 2014.

Einde macrofaunaniewsmail 117        

Macrofaunanieuwsmail 116, 9 juli 2014

Beste lezers,

 Een korte zomer editie met een cursus aankondiging en leestips.

Geniet van de mooie dagen, en als je wat ziet, hoort of leest, Stuur je berichten naar

       macrofauna@rws.nl.

 Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

 http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

Is uw email adres gewijzigd…….geef het ook even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

 DGL-Bestimmungskurs „Larven der Eintagsfliegen“. 2

Uit het nieuws: 3

Nieuw naaldkreeftje voor de wetenschap beschreven uit Nederland. 3

Nieuw verschenen: 5

Taxonomie für die Praxis: Bestimmungshilfen – Makrozoobenthos (2) 5

KNNV Webwinkel – Nederlandse fauna. 5

KNNV Webwinkel – KIOSK APP NatuurLink. 5

New keys to European Chironomidae larvae. 6

vom 03. bis 06.11.2014 den

 

48. DGL-Bestimmungskurs „Larven der Eintagsfliegen“

 

                    Dozenten:     Dr. Peter Weichselbaumer, Innsbruck

                                        Dipl. Biol. Brigitta Eiseler, Roetgen

 

                 Kursleitung:     Brigitta Eiseler, Roetgen   

                                        Kai Möller, Bad Bevensen (GSI)

Programm

Nach einer allgemeinen Einführung in die Bestimmung der Eintagsfliegen werden die Familien vorgestellt und ihre Unterscheidung behandelt. Es folgt geordnet nach Familien bzw. Gattungen die Artbestimmung. Die Bestimmungsmerkmale werden mit Hilfe von Powerpoint-Präsentationen erläutert. Mit Material der Referenten üben die Teilnehmer anschließend die Präparation und das Bestimmen.

Je nach Zeit und Interesse der Teilnehmer kann mit Hilfe der Eitaxonomie die Bestimmung ausgewählter Arten der Gattung Rhithrogena geübt werden. Ein Abend ist für die Arbeit an eigenem Material der Teilnehmer vorgesehen. Die aktuelle Literatur zu Taxonomie und Biologie der Eintagsfliegen sowie ergänzende und klassische Bearbeitungen werden vorgestellt und bewertet.

Der Kurs beginnt Montag, den 03.11.2014 um 14.00 Uhr (1. Mahlzeit ist der Nachmittagskaffee) und endet am Donnerstag, den 06.11.2014 um 12.00 Uhr (letzte Mahlzeit ist das Mittagessen).

Wichtiger Hinweis:

Zur Organisation dieses Kurses verwenden wir spezielle Anmeldeformulare. Bitte fordern Sie diese an und melden Sie sich bitte nicht ausschließlich über unsere Website an.

 

Anmeldung

Bitte schriftlich, per Fax oder E-Mail mit Name(n), Adresse, Tel./ Fax/ E-Mail, sowie Datum und Titel des Seminars sowie Zimmerwunsch (DZ/EZ).

Gustav Stresemann Institut in Niedersachsen e. V. Europäisches Bildungs- und Tagungshaus Klosterweg 4, 29549 Bad Bevensen Tel.: (0 58 21) 9 55-0, Fax: (0 58 21) 9 55-29 9

oder über unser Anmeldeformular:

http://www.gsi-bevensen.de/anmeldung.php?sem_id=1958&da=2014-11-03&de=2014-11-06&bu=&fb=&kib=

Mit freundlichen Grüßen

Kai Möller (Gustav Stresemann Institut


Uit het nieuws:

Overgenomen van ‘natuurbericht http://www.natuurbericht.nl

Nieuw naaldkreeftje voor de wetenschap beschreven uit Nederland

Bericht uitgegeven door Grontmij op vrijdag 13 juni 2014

 

Recent is een compleet nieuw soort naaldkreeftje ontdekt in Nederland. De soort werd voor het eerst gevonden in 2006. In eerste instantie dacht men dat het om het exotische, maar al bekende naaldkreeftje Sinelobus stanfordi ging. Een Britse specialist ontdekte echter dat het om een nieuwe soort voor de wetenschap gaat. Het nieuwe naaldkreeftje is vernoemd naar zijn Nederlandse ontdekker: Sinelobus vanhaareni.

In september 2006 werd voor het eerst in Nederland een nieuw exotisch naaldkreeftje voor Nederland gemeld uit de Oude Maas nabij de Heinenoordtunnel. Dit pissebedachtig diertje was vervolgens zo succesvol dat het aantal waarnemingen zich snel uitbreidde: Nieuwe waterweg, Hollandse IJssel, Noordzeekanaal, Kanaal Gent-Terneuzen en zelfs de Belgische Schelde. De waarnemingen hadden duidelijke overeenkomsten, de haven van Rotterdam, Amsterdam en Antwerpen. Enkele jaren later dook de soort ook op in de haven van Harlingen, een tweetal Duitse Noordzeehavenplaatsen (Emden, Brunsbüttel) en zelfs een klein haventje ver bovenstrooms in de Duitse Rijn (Speyer).

Sinelobus vanhaareni, mannetje (links) en vrouwtje (rechts) (foto: Ton van Haaren)

De soort toonde sterke gelijkenis met Sinelobus stanfordi en werd dan ook als zodanig gepubliceerd. Deze naaldkreeft was nog niet eerder uit Europa gemeld. Op aanvraag van de Britse specialist Roger Bamber stuurden de eerste auteur en ontdekker Ton van Haaren en een onderzoeker van Rijkswaterstaat Mirjam Kuitert enkele Nederlandse beestjes op voor nadere studie en wat bleek: bij de opnieuw onderzochte naaldkreeftjes bleek het zelfs om een nieuwe soort voor de wetenschap te gaan. Uit dank voor Van Haarens hulp bij dit onderzoek noemde Bamber de soort naar Van Haaren. Sinds mei heet het naaldkreeftje dus: Sinelobus vanhaareni.

Van het geslacht Sinelobus werd gedacht dat alle waarnemingen betrekking hadden op S. stanfordi en dat deze soort wereldwijd verspreid was, maar naar nu blijkt is Sinelobus een complex van soorten waarvan wij in Nederland, België en Duitsland S. vanhaareni hebben. De verspreiding van de echte S. stanfordi is onbekend maar is waarschijnlijk beperkt tot het Pacifische gebied. In ieder geval komt deze niet in Europa voor.

Naaldkreeftjes zijn een aparte orde binnen de kreeftachtigen en zijn gemiddeld enkele millimeters groot. Wereldwijd zijn ongeveer 1.100 soorten beschreven waarvan de meeste in zee voorkomen. Slechts enkele soorten leven in brak of zoet water waaronder ook deze nieuwe soort. In Nederland hebben zich nog slechts twee andere soorten naaldkreeftjes gevestigd (Tanaissus lilljeborgi en Tanaopsis graciloides) en verder worden een drietal soorten wel eens aangespoeld op het strand aangetroffen (Apseudes talpa, Leptochelia dubia, Tanais dulongii).

Sinelobus vanhaareni is heden ten dage een uitermate algemene soort in de kuststreek in allerlei (sterk) brakke binnengaatse wateren en komt hier veelal in hoge aantallen voor, vooral op harde substraten. Ze kan ook korte tijd zoet en zout water verdragen en zelfs sterke zoutschommelingen, maar ze bereikt de hoogste dichtheden in brakke wateren. Ondanks dat de soort in Nederland ontdekt is, kunnen we deze soort toch als exoot beschouwen. Dit naaldkreeftje was nooit eerder uit onze wateren vastgesteld en sinds de introductie in onze grootste havens is het aantal explosief toegenomen. De oorspronkelijke herkomst van deze soort is onbekend en ze is ongetwijfeld met schepen mee gekomen. Sinelobus vanhaareni is vooralsnog alleen bekend uit Nederland, België en Duitsland maar verwacht wordt dat de soort zich vooral sterk zal uitbreiden in noordelijke (Denmarken, Zweden) en oostelijke richting (Baltische zee).

Tekst en foto: Ton van Haaren, Grontmij team ecologie


Nieuw verschenen:

Taxonomie für die Praxis: Bestimmungshilfen – Makrozoobenthos (2)

Aus der Praxis für die Praxis steht gleichermaßen für Motiv und Ziel der Bestimmungshilfen – Makrozoobenthos. Als völlig neuer Typ von Bestimmungshilfe konzipiert stützen sie sich auf die jahrzehntelangen praktischen Erfahrungen in der biologischen Gewässerüberwachung des Landes Nordrhein-Westfalen und orientieren sich gezielt an der wasserwirtschaftlichen Routine zur Bewertung des ökologischen Zustandes nach EG-Wasserrahmenrichtlinie. Nachdem der erste Teil der Bestimmungshilfen – Makrozoobenthos ausgewählte Taxa aus der Gruppe der Egel, Muscheln, Krebstiere, Eintagsfliegenlarven, Steinfliegenlarven und Zweiflüglerlarven behandelt, beschäftigt sich der nun vorliegende zweite Teil ausschließlich mit den Käfern der Fließgewässer. Ihnen kommt als umfangreichste Indikatorarten-Gruppe ein besonders hoher Stellenwert bei der ökologischen Bewertung zu. Die Pionierarbeit der Bestimmungshilfen besteht darin, dass die bestimmungsrelevanten Merkmale für die in NRW vorkommenden Arten, die aus der umfangreichen wissenschaftlichen Fachliteratur selektiert worden sind, anwendergerecht aufbereitet und vergleichend beschrieben werden, ergänzt durch eigene Beobachtungen aus der praktischen Arbeit. Im Vordergrund steht dabei, die relevanten und oftmals schwer zu erkennenden Merkmale oder solche, die leicht zu Verwechslungen führen, erstmalig durch fotografische Abbildungen detailliert zu veranschaulichen. In Steckbriefen sind für jede Art die Erkennungsmerkmale und Verwechslungsmöglichkeiten mit durchgehend fotographischer Dokumentation, der Lebensraum sowie weitergehende Bestimmungsliteratur so aufbereitet, dass die Bearbeitung der Indikatorarten erleichtert und ihre eindeutige Diagnose ermöglicht wird. Das Arbeitsblatt ist derzeit online nicht verfügbar, kann aber im Online-Shop als Druckversion bestellt werden: http://www.lanuv.nrw.de/veroeffentlichungen/arbeitsblatt/arbla20/arbla20start.htm

 

KNNV Webwinkel – Nederlandse fauna

Een magistrale faunaserie voor liefhebbers en kenners soorten – herkenning – verspreiding – leefwijze – dierecologie – faunabescherming – onderzoek & beheer

ZOMERACTIE! Nu 50% KORTING op de serie de ‘Nederlandse Fauna’ Elk deel nu voor € 24,95 ipv € 49,95 t/m 30 september 2014

http://www.knnvuitgeverij.nl/NL/webwinkel/nederlandse%20fauna

 

KNNV Webwinkel – KIOSK APP NatuurLink

Je eigen natuurbibliotheek voordelig op je tablet, smartphone en pc  Haal natuur & landschap nu ook digitaal in huis! Met de gratis app NatuurLink, dé digitale kiosk van KNNV Uitgeverij. Koop hier voordelig onze digitale natuuruitgaven.

Zes digitale ‘praktijkgidsen voor natuurbeheer’ nu tijdelijk voor € 6,99 ipv € 9,99 ACTIE! NU 30% EXTRA KORTING t/m 31 juli 2014

http://www.knnvuitgeverij.nl/NL/webwinkel/kiosk%20app%20natuurlink


New keys to European Chironomidae larvae

Claus Orendt

Brandvorwerkstr. 66, 04275 Leipzig, Germany.

E-mail: orendt@hydro-bio.de

Chironomini (Diptera: Chironomidae). Keys to Central Euro­pean larvae using mainly macroscopic characters. 2nd, revised edition.

By Orendt, C. & Spies, M. (2012).

64 p., more than 450 illustrations.

ISBN 978-3-00-038842-2

The second edition of these richly illustrated keys separates lar­vae of Central European non-biting midges by subfamilies, and especially members of the tribe Chironomini by genera or some smaller taxa. The work is also directed at workers with little pre­vious experience in chironomid larvae. The keys’ emphasis is on morphological features that are visible macroscopically without elaborate preparations.

Chironomus (Meigen). Key to the larvae of importance to bio­logical water analysis in Germany and adjacent areas.

By Orendt, C. & Spies, M. (2012).

Bilingual edition (English/German).

24 p., 47 illustrations.

ISBN 978-3-00-038789-0

This key identifies 11 species and species groups of significance to water quality evaluation whose ecological requirements are known sufficiently, at present, and whose larvae are reasonably di­agnosable in terms of taxonomy. One of the aims of this work is to reduce existing uncertainties and misinterpretations, particularly in biological water analysis.

Chironomidae larvae in brackish waters of Germany and ad­jacent areas.

By Orendt, C., Dettinger-Klemm, A. & Spies, M. (2012).

Editor: Federal Environment Acency, Berlin.

Editions in English or German.

214 p., 1154 illustrations.

ISSN 2194-7902

The key includes about 90 taxa (genera, species groups, species) that can be identified in the larval stage and have been recorded from brackish waters in Germany and adjacent North Sea and Baltic Sea areas.With its broad geographical scope and practical approach, this monograph is unique and of equal interest for sci­entists and technical offices in countries along the North and Baltic Seas.

http://www.hydro-bio.de/

Einde macrofaunaniewsmail 116        

Macrofaunanieuwsmail 115, 20 juni 2014

Macrofaunanieuwsmail 115, 20 juni 2014

 

Beste lezers,

 

De zomer gaat beginnen, morgen is de langste dag.

     

 

Geniet van de mooie dagen, en als je wat ziet, hoort of leest, Stuur je berichten naar

       macrofauna@rws.nl.

 

Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

 

http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

Is uw email adres gewijzigd…….geef het ook even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

 

Aankondiging determinatiecursus Diptera op 2 en 3 oktober 2

Parachironomus soorten op slakken en meer. 4

Bijzondere watermijt in gebied van Hoogheemraadschap van Rijnland. 7

Stel je voor. 10

Uit het nieuws: 10

Persbericht Zeeboek. 11

Aankondiging en opgaveformulier voor de

determinatiecursus Diptera larven (niet-Chironomidae),

2 en 3 oktober 2014 te Wageningen.

Beste mensen,

Dit najaar organiseren wij een determinatiecursus voor Diptera larven (niet-Chironomidae).

Het determineren van larven van Diptera is niet altijd eenvoudig, zeker omdat sommige veelgebruikte tabellen niet volledig zijn, waardoor je op de verkeerde taxa uitkomt.

Tijdens deze cursus zal een nieuwe determinatietabel voor Diptera larven worden gepresenteerd. Deze tabel is per familie voorzien van mooie en goede tekeningen. De tabel is te gebruiken tot genusniveau en is gemaakt en ter beschikking gesteld door de gezusters Faasch. Daarnaast zullen we deze tabel aanvullen met foto’s van Diptera larven gemaakt door Brigitte en Frank Eiseler.

Dit materiaal zal de basis vormen voor de reader die tijdens de cursus wordt uitgereikt. Kortom, wil je het determineren van Diptera larven beter onder de knie krijgen en je determinatietabellen up-to-date houden, dan mag je deze cursus niet missen.

De cursusdata zijn donderdag 2 en vrijdag 3 oktober 2014. Ton van Haaren en Ralf Verdonschot zullen de cursus leiden. De cursus vindt plaats in het Hof van Wageningen, Lawickse Allee 9,

6701 AN te Wageningen.

Tijdens de cursus wordt naast enkele korte introducties zoveel mogelijk tijd besteed aan het determineren. Ton en Ralf zullen proberen hiervoor materiaal te verzamelen. Eigen materiaal is echter zeer welkom. Tijdens de cursus zal ook tijd worden ingeruimd om eigen materiaal te laten checken.

De kosten van de cursus bedragen € 825, – per persoon (exclusief BTW).

Dit is inclusief 1 overnachting op een tweepersoonskamer, onbeperkt koffie en thee, ontbijt (1x),

lunch (2x) en avondeten (1x).

Je kunt je voor de cursus opgeven door onderstaand formulier volledig in te vullen en via post of email te sturen naar dorine.dekkers@wur.nl

Op het formulier is het mogelijk een persoonlijke voorkeur voor een kamergenoot aan te geven.

Bij onvoldoende deelnemers zal de cursus niet doorgaan.

Na inschrijving ontvang je een bevestiging. Nadere informatie over het programma, de locatie, routebeschrijving en huishoudelijke zaken worden vier weken voor aanvang van de cursus toegezonden.

Ken je collega’s of mensen in je omgeving die mogelijk geïnteresseerd maar nog niet bekend zijn met onze determinatiecursussen of de macrofaunanieuwsmail niet ontvangen, zou je deze informatie dan willen doorsturen? Alvast bedankt!

Met vriendelijke groeten,

Dorine Dekkers

  1. T.B.M. Dekkers

Zoetwatersystemen                                          Bezoekadres:

Alterra, Wageningen UR                                   Droevendaalsesteeg 3, 6708 PB Wageningen

Postbus 47, 6700 AA Wageningen                    Tel: 0317-485397 (doorgeschakeld naar mobiel)

Wageningen Campus, Gebouw 100                   Email: dorine.dekkers@wur.nl

 

Opgaveformulier determinatiecursus Diptera larven (niet-Chironomidae)

donderdag 2 oktober en vrijdag 3 oktober 2014

Voornaam:                   ………………………………………………………

Achternaam:                 ………………………………………………………

Organisatie:                  …….……………………………………………….

Bezoekadres:               ………………………………………..

………………………………………..

Postadres:                   ………………………………………..

………………………………………..

Telefoon (werk):                        ………………………………………………………

E-mail:                         ………………………………………………………

Vegetariër                    ja/nee/anders, namelijk………………

Voorkeur kamergenoot:            ……..……………………………………………….

 

 

Afmelding tot 8 weken voor aanvang van de cursus is gratis, latere afmelding gaat gepaard met betaling van reeds gemaakte kosten; bij afmelden tot 4 weken voor aanvang van de cursus wordt 10 % van het cursusgeld in rekening gebracht; afmelden tot 2 weken voor de cursus wordt 20 % van het cursusgeld in rekening gebracht; afmelden een dag voor of op de eerste dag van de cursus betekent dat het volledige cursusgeld in rekening wordt gebracht. In overleg met de cursusorganisatie is het mogelijk om een vervangende persoon te benoemen.


Parachironomus soorten op slakken en meer

Henk Vallenduuk

Parachironomus mauricii Kruseman, 1933 en Parachironomus varus Goetghebuer, 1921

De beschrijving van de morfologie en de biologie door Guibé (1942) van P. varus varus en P. varus linnaei komt overeen met eigen waarnemingen. De soorten P. varus (synoniem P. varus varus) en P. mauricii (synoniem P. varus linnaei) hebben een verschillende biologie en zijn (nog) van enkele locaties in Nederland bekend (zie kaartjes). Naar beide soorten moet gericht worden gezocht. De larven van P. mauricii worden in grotere aantallen gevonden. Ze worden mogelijk over het hoofd gezien vanwege de niet bekende microhabitat.

 

Parachironomus mauricii

leeft op de slak van Radix-soorten, mogelijk alleen R. balthica /labiata (synoniem peregra), en gaat mee naar binnen als de slak zich in het huisje terugtrekt. Hij wordt door Guibé een endoparasiet genoemd. Omdat de larve zich na doding in het huisje bevindt, kan deze het beste gevonden worden door de slak een stukje uit het huisje te trekken. Ik kon de larve regelmatig door het huisje heen op de slak zien zitten.

 

Parachironomus varus

leeft op het huisje van de slak Physa fontinalis en spint daar een kokertje (zie foto). Hij wordt door Guibé een ectoparasiet genoemd. De larve is daardoor goed te zien.

Determinatie van deze larven (zonder de slak te weten) is goed mogelijk, omdat de morfologie duidelijk verschillend is. Onder andere is de ventromentale plaat anders (zie de schetsjes hieronder). De plaat bij P. mauricii is uniek binnen het genus, maar lijkt enigszins op die bij P. vitiosus (zie Moller Pillot 2009b: 20, fig. 13a [ten onrechte P. biannulatus genoemd]). In tegenstelling tot P. vitiosus is de middentand van het mentum bij P. mauricii duidelijk gepunt (als in Moller Pillot 2009b: 20, fig. 13b).

Parachironomus varus op Physa fontinalis

De Wieden, Doosje, 6.vi.2006. Collectie Alterra

Parachironomus mauricii, ventromentale plaat

“Posterior lobe” met overdwars en evenwijdig lopende striae. De lengte van de lob is ongeveer de helft van de lengte van de gehele plaat (de enige soort met dit kenmerk).

Parachironomus varus,

ventromentale plaat

“Posterior lobe” met enigszins diagonaal lopende striae. De lengte van de lob is maximaal 0,4x de lengte van de gehele plaat.

Bijzondere waarnemingen in Nederland en het determineren van larven

Een overzicht van de Europese soorten is te vinden op de website van Fauna Europaea. Van de 20 soorten zijn op dit moment de larven van 10 soorten bekend.

Het lijkt gegrond om P. spec. Kampen, verzameld in de IJssel en de Maas, als een aparte soort te zien en niet als een synoniem voor P. frequens zoals verondersteld wordt in Moller Pillot (2009: 167).

Een uitgebreid onderzoek naar imagines in 1978 in de Grote Maarsseveense Plas (Kouwets en Davids, 1983) heeft een goed inzicht gegeven in het voorkomen en de vliegtijden van veel dansmuggen. Van Parachironomus zijn daar 7 soorten aangetroffen. In 1978 heeft Michiel Schreier larven verzameld op kunstmatige planten. In 1979 zijn deze larven door Henk Moller Pillot bekeken en voorlopig P. spec. Maarsseveen genoemd. Deze larven komen met de beschikbare sleutels op

  1. vitiosus uit vanwege de gedeelde middentand van het mentum, maar er zijn voldoende verschilkenmerken om P. vitiosus van P. spec. Maarsseveen te scheiden. Van de 7 soorten, die Kouwets in 1978 verzameld heeft, komen voor de P. spec. Maarsseveen larven alleen P. cinctellus en P. digitalis in aanmerking omdat 5 soorten “afvallen” en van deze resterende 2 soorten de larven niet bekend zijn. Om taxonomische vragen te beantwoorden is het wenselijk om de larven individueel gekweekt te hebben.

De interessante ecologie van de soorten is te vinden in Moller Pillot (2009), maar de informatie bij

  1. biannulatus en vitiosus is mogelijk deels onjuist.

Met de huidige kennis is het mogelijk om de larven van 10 valide en enkele voorlopige soorten op naam te brengen. Voor dit genus is een determineersleutel in ontwikkeling en een concept versie hiervan kan opgevraagd worden. Na determinatie van meer materiaal door zal het voorkomen van de soorten in Nederland duidelijker worden. Dus, determinaties en gegevens van de microhabitat gaarne doorgeven. Email: buro.vallenduuk@home.nl.

De kaartjes geven aan van welke locaties de larven (gecontroleerde determinaties) en imagines nu bekend zijn. Gegevens over de imagines zijn overgenomen uit Kruseman (1933), Kouwets en Davids (1984) en Klink (1985). De begeleidende tekst geeft enige informatie over de habitat.

Voorkomen in Nederland (soortnamen in alfabetische volgorde) van Parachironomus.

Kaartjes gemaakt met het programma “Klasse-2014, versie 2”, een database met vele toepassingen.

Literatuur

Guibé, J. (1942): Chironomes parasites de Mollusques Gastéropodes. Chironomus varus limnaei Guibé espèce jointive de Chironomus varus varus Goetgh. – Bull. biol. Fr. Belg. 76: 283-297

Moller Pillot, H.K.M (2009): Chironomidae Larvae of the Netherlands and Adjacent Lowlands. Biology and Ecology of the Chironomini.- KNNV Publishing: 1-270, Zeist

Moller Pillot, H.K.M. (2009b): A key to the larvae of the aquatic Chironomidae of the North-West European Lowland. Provisional translation of “De Larven der Nederlandse Chironomidae, 1984” with many additions. Second edition, 2009b, with only minor corrections.- Private publication “not for sale”

Klink, A., 1985a. Een inventarisatie van volwassen Chironomidae bij Kampen (IJssel). – Rapp. Meded. Hydrobiol. Adviesbur. Klink 21: 1-5 + 2 app.

Kouwets, F. A. C., Davids, C. [1984]: The occurrence of chironomid imagines in an area near Utrecht (the Netherlands), and their relations to water mite larvae. – Arch. Hydrobiol. 99: 296-317

Kruseman, G. (1933): Tendipedidae Neerlandicae. PARS I. Genus Tendipes cum generibus finitimis. – Doct. diss. Univ. Amsterdam; C. de Boer, Jr., Den Helder; 1 loose leaf (“Stellingen”), [i]-xii, [119]-216


Bijzondere watermijt in gebied van Hoogheemraadschap van Rijnland, Diplodontus scapularis

Wouter Balster

Foto 1: Diplodontus scapularis: Ventrale en dorsale zijde.

Foto’s 2 en 3 van Diplodontus scapularis: Palp (links) en epimeren (rechts).

LOC_CODE LOC_NAME COORD_X COORD_Y DATE_SMP Aantal
ROP022A15 Driemanspolder sloot langs weg t/o Ruimzicht 89,10000 453,98000 24-5-2012 1,000
ROP02911 Duivenvoordse en Veenzijdse 3e sloot t.z.v.bos 87,23300 458,31400 24-5-2012 1,000
ROP02912 Duivenvoordse en Veenzijdse polder 86,29000 457,30400 19-6-2013 9,000
ROP11603 Papenwegse polder 2e sloot bij manege 90,39700 461,70200 19-6-2013 1,000
ROP02606 Dr.gem. Grote polder v.a. 2de brug in weg 90,32000 454,62000 24-6-2013 2,000
ROP03703 2e sloot van paardrijbak 89,30000 455,65000 24-6-2013 2,000

 

Tabel 1: Locaties en aantallen gevonden exemplaren in 2012 en 2013.

     Foto’s van de locaties ROP02912 en ROP03703.

Foto’s van de locaties ROP02606en ROP11603.

Algemeen

Tijdens determinatie van de reguliere monsters voor Hoogheemraadschap van Rijnland heeft AQUON Leiden een zeldzame watermijt gevonden. Er zijn meerdere exemplaren van de watermijt Diplodontus scapularis gevonden (zie tabel 1).De specifieke kenmerken zijn de palp, epimeren en genitiaalplaten (zie foto’s 1 t/m3).

Diplodontus scapularis komt zeer zeldzaam voor in Nederland.

In het beheersgebied van Hoogheemraadschap van Rijnland is de mijt een paar keer in het verleden aangetroffen(zie tabel 2). Daarna is de soort 7 jaar lang niet meer waargenomen in de reguliere macrofaunamonsters.

De soort lijkt alleen in de maanden mei, juni en juli voor te komen, want in de nazomer wordt de soort niet meer aangetroffen. Locaties ROP11603 en ROP02912 zijn voor de eerste keer op 19 en 24 juni 2013 bemonsterd. Later in het seizoen zijn de locaties voor een tweede keer bemonsterd op 24 augustus 2013. Bij de monsters van de nazomer wordt Diplodontus scapularis niet aangetroffen.

Er is geen relatie te vinden tussen de vier locaties van 2013. Ze verschillen in vegetatie- en bodemstructuur. Op de foto’s van de locaties zijn de verschillen duidelijk te zien.

LOC_CODE LOC_NAME COORD_X COORD_Y DATE_SMP Aantal
ROP02911 Duivenvoordse Veenzijdse polder;3e sloot t.z.v.bos 87,240 458,310 24-5-1994 1,000
ROP25303 Marienduin, bij klooster Alverna 101,480 485,700 20-6-1994 1,000
ROP16708 Meerpolder, 5de sloot west Middelweg 92,240 455,640 29-6-1992 1,000
ROP022A15 Nieuwe Driemanspolder; weg t.o.boerderij Ruimzicht 89,100 453,980 22-6-1998 5,000
ROP03703 Gecombineerde Starrevaart en Damhouder 89,300 455,650 15-6-1998 8,000
ROP03201A Polder Elsgeest; sloot t.zw.van gemaal Trekvaart 92,970 468,930 14-6-1999 1,000
ROP02911 Duivenvoordse Veenzijdse polder;3e sloot t.z.v.bos 87,240 458,310 06-6-2002 1,000
ROP03703 Gecombineerde Starrevaart en Damhouder 89,300 455,650 19-5-2003 7,000
ROP02906 Duivenvoordse Veenzijdse polder 86,060 458,010 11-7-2005 1,000

Tabel 2: Historische overzicht van locaties en aantallen gevonden exemplaren in het gebied van HHR.

Voorkomen in Nederland

Diplodontus scapularis is in Nederland zeer zeldzaam. De soort heeft een beperkt verspreidingsgebied in Noord -en Zuid-Holland. De vindplaatsen liggen in Waterland (Noord-Holland), Marienduin in Aerdenhout en er is één waarneming ten zuiden van Amstelveen (Noord-Holland). Er zijn ook waarnemingen in Zuid-Holland o.a. in de Meerpolder (Zoetermeer), Polder Elsgeest (Warmond), Nieuwe Driemanspolder, Starrevaart- en Damhouderpolder en Duivenvoordse-Veenzijdse Polder (Leidschendam).

Bron

Smit, H. & Van der Hammen, H. (2000): Atlas van de Nederlandse watermijten (Acari: Hydrachnidia). Nederlandse faunistische mededelingen 13:1-272.

Smit, H., Van Maanen, B., Van den Hoek, Tj.-H., Wiggers, R. & Knol, B. (2003): New records of rare water mites from The Netherlands (Acari: Hydrachnidia). Nederlandse faunistische mededelingen 18:123-136.

Met dank aan Harry Smit voor de bevestiging van de soort.

Afdeling Hydrobiologie

Locatie Leiden

Voorschoterweg 18H

2324 AB Leiden

http://www.aquon.nl

algemeen nr: 06-46808627

Stel je voor

Ik heet Mark Hilboezen (22 jaar), ben woonachtig in Kollumerzwaag en zit nu in het derde studiejaar van Bsc Milieukunde (HBO) aan het Van Hall Larenstein te Leeuwarden. Naast mijn opleiding, houd ik mij bezig met andere activiteiten in het groene milieu. Ik zit ik in het bestuur van de Fryske Feriening foar Fjildbiologie, dé Friese veldbiologie vereniging, omdat ik de natuur in Friesland een warm hart toedraag. En ik ben in Noordoost-Friesland hobbymatig actief als inventarisatievrijwilliger van Staatsbosbeheer. Ik inventariseer met name waterkevers (Coleoptera) en zowel de larven als de imago’s van kokerjuffers (Trichoptera) en libellen (Odonata) daar deze soortgroepen mijn interesse hebben. Ook help ik mee aan detailbeheer, zoals hooiwerkzaamheden en het in kaart brengen van sloten met een bijzondere vegetatie, om potentieel aanwezige kwetsbare soortgroepen te beschermen. Daarnaast doe ik veel aan natuurfotografie, met name macrofotografie van insecten en planten.

Door regelmatig het veld in te gaan, probeer ik mijn soortenkennis te vergroten en ecologische verbanden te leggen. Dit is ook de reden waarom ik medeoprichter ben van een werkgroep die onderzoek doet naar de intrigerende Groene glazenmaker, oftewel in het Fries de Ielstikelbyter. Ik doe dit onderzoek in de Noordelijke Friese Wouden waar meerdere bronpopulaties van deze libelsoort aanwezig zijn. Met deze werkgroep probeer ik, samen met andere gepassioneerde veldbiologen, de ecologie van deze soort, maar eigenlijk van de hele levensgemeenschap van de Krabbenscheerassociatie (Stratiotetum), in beeld te krijgen door verschillende wateren te inventariseren en te monitoren op de aanwezige macrofauna en flora.

Uit het nieuws:

Monocorophium uenoi, nieuw voor Nederland

Onderzoek aan banken van Japanse oester bij Yerseke heeft een nieuw vlokreeftje opgeleverd: Monocorophium uenoi. Deze exoot is afkomstig van de Grote Oceaan en was nog niet eerder aangetroffen in het Atlantisch gebied. Monocorophium uenoi is waarschijnlijk geïntroduceerd met schelpdieren, mogelijk vanuit een andere bron in Europa. Bron: Faasse M.A. 2014. The Pacific amphipod Monocorophium uenoi (Stephensen, 1932) introduced to the Netherlands (NE Atlantic). BioInvasions Records 3 (1): 29-33; foto Marco Faasse.

Pissebedden in de tuin

Medio juni gaat het onderzoek “Pissebedden in de tuin” van start. Het project is bedoeld om mensen kennis te laten maken met pissebedden en te laten zien dat in tuinen diverse soorten kunnen voorkomen

Voor dit project is een zoekkaart ontwikkeld, waarmee de meest voorkomende soorten in tuinen op naam gebracht kunnen worden. Door mee te doen met het onderzoek kan eenieder een bijdrage leveren aan de kennis van pissebedden in de tuin.

Voor meer informatie zie www.quest.nl/test

PERSBERICHT

JUNI 2014

ZEEBOEK

Determinatietabellen voor de flora en fauna

van de Nederlandse kust

 

Dertig jaar geleden verscheen de eerste druk van het Zeeboek en die werd een ongekend succes!

Nu verschijnt er een geheel herziene versie van deze veldgids. Beschrijft algemene soorten planten en dieren zoals slakken, schelpen, zeewieren en -grassen, krabben, kreeften, kwallen, zeesterren, vissen en zeezoogdieren.

 

Ga naar het inkijkexemplaar >>

 
Een praktische veldgids voor de flora en fauna van de Noord- en Waddenzee. Beschrijft algemene soorten zoals slakken, schelpen, zeewieren en -grassen, krabben, kreeften, kwallen, zeesterren, vissen en zeezoogdieren.

  • Al het Nederlandse zeeleven bijeen in één handzame veldgids
  • Soorten determineren o.a. schelpen, slakken, zeewieren, -grassen, sponzen, kwallen, zee-egels, krabben, kreeften, vissen en zeezoogdieren
  • Gericht op herkenning in het veld
  • Talloze illustraties en extra informatie over voorkomen, ecologie en gedrag

Geschreven door Nederlandse experts.

Redactie:

Uitgever

Uitvoering:

ISBN:

Prijs

redactioneel expertenteam

Jeugbondsuitgeverij http://www.jeugdbondsuitgeverij.nl/

ism KNNV Uitgeverij http://www.knnvuitgeverij.nl/

15 x 22 cm, 240 p., genaaid gebrocheerd met kleurenfoto’s en zwart wit tekeningen

9789051070002

€ 19,95

Met vriendelijke groeten,

Kathrin Ohrmann

Einde macrofaunaniewsmail 115

Macrofaunanieuwsmail 114, 14 april 2014

Beste lezers,

Voorjaar, met een nieuwe watermijt, meerdere oproepen en nieuwtjes…

Als je wat ziet, hoort of leest, Stuur je berichten naar macrofauna@rws.nl.

Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

Is uw email adres gewijzigd…….geef het ook even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

Chironomidae nieuws 2
Lebertia longiseta, een watermijt nieuw voor Nederland. 2
Gezocht: Radix labiata 5
Uit het nieuws: 5
Kokerjuffers kunnen beekherstel afmaken 5
Verspreidingsatlas Libellen in Drenthe 5

Chironomidae nieuws

Larsia.
In de nieuwe Lauterbornia komt een publicatie over Larsia. Dit genus ontbreekt in het boek over de Tanypodinae. Al vast enkele opmerkingen hierover.
De larve is gevonden in Limburg in een bronmoerasje met kalkrijk kwelwater door Monique en Barend.
Bij determinatie komt de soort uit bij couplet 28, maar dan loop je vast omdat de combinatie van kenmerken niet klopt.
De kans dat de soort vaker gevonden wordt is niet groot, maar je weet maar nooit. Larven kunnen opgestuurd worden ter controle naar Henk of Henk.

Nieuwe sleutels.
Het werken aan nieuwe determineer sleutels voor de Chironomini is nog in volle gang. Door allerlei hobbels, die elke keer weer te nemen zijn, heeft het beschikbaar komen van het gehele werk vertraging opgelopen.
De concept sleutels voor Chironomus (Vallenduuk) en Polypedilum (Vallenduuk en Tempelman) zijn nu gereed voor gebruik en bevatten de sleutel, de meeste figuren en tabellen.
Er komen ook afzonderlijke sleutels voor enkele andere genera. Je kunt opgeven een “abonnement” hierop te willen. Dan stuur ik iets toe wanneer een genus afgerond is.
De sleutels kunnen dan nu al gebruikt worden alleen kan nog niet naar een publicatie verwezen worden. Dus vermelden van de titel als literatuur “in press”.

Ecologie.
De tabellen, die in de ecologie boeken van Henk Moller Pillot staan, heb ik in Excel bestanden gezet. Handig om per soort overzichten te maken.
Wie belangstelling heeft, kan deze aan mij opvragen.

Henk Vallenduuk
Buro.vallenduuk@home.nl

Lebertia longiseta, een watermijt nieuw voor Nederland.

Welke ervaren analist kent nu niet dat gevoel? Zo heel af en toe tijdens het determineren krijg je dat onderbuik gevoel dat je naar wat bijzonders zit te kijken. Een exemplaar dat je nog niet eerder hebt gezien. Dat overkwam mij toen ik het monster uit de Lettelerleide (vistrap) aan het determineren was. Tussen meerdere exemplaren van Lebertia inaequalis zat ineens een kleiner exemplaar dat er sterk op leek, maar toch ook weer niet. Even die nieuwe tabel (Susswasserfauna von Mitteleuropa, 2010) wat nauwkeuriger volgen, waarmee ik al snel uit kwam op Lebertia longiseta i.p.v Lebertia inaequalis. Beide mijten behoren tot de groep Pilolebertia, maar eerst genoemde soort stond tot voor kort niet in de door ons gebruikte determinatieliteratuur. Voor de zekerheid toch maar een preparaat maken van de palpjes, altijd weer een uitdaging! Wat mij meteen opviel was de enorme lange ventrale haar aan het tweede palplid. Vervolgens even een collega er bij halen, want samen weet je meer dan alleen. Omdat L. longiseta nog niet eerder in Nederland is aangetroffen bleef er twijfel. Is het dan toch niet gewoon een jong exemplaar van L. inaequalis? Een beetje teleurgesteld heb ik het exemplaar toen maar in een apart potje op mijn bureau gezet. Bewaren voor later? Toen ik via mijn collega Hans Hop een oproep kreeg om “twijfelmijten” naar H. Smit te sturen zag ik mijn kans schoon.
Na een grondige check door H. Smit en later ook door R. Gerecke blijkt het inderdaad te gaan om Lebertia longiseta, een watermijt die nieuw is voor Nederland. Geweldig natuurlijk!
Dit exemplaar uit de Lettererleide is nu opgenomen in het museum van Naturalis.
Figuur 1. Preparaat van de mijt L.longiseta door H.Smit, opgenomen in het museum Naturalis.

Toch lijkt er bij de experts nog enige twijfel te bestaan of deze soort uiteindelijk niet een synoniem is van Lebertia inaequalis. De tijd zal het leren, wellicht een goede casus voor DNA-onderzoek. Voorlopig heeft het onderbuikgevoel geleid tot een unieke waarneming en een plekje in het museum!

Op basis van de huidige inzichten heb ik wat kenmerken op een rijtje gezet. Voor een volledige beschrijving inclusief determinatiekenmerken verwijs ik naar genoemd determinatiewerk. Alleen de kenmerken die mij opvielen heb ik er uitgelicht.

Figuur 2 Palp Lebertialongiseta (Gerecke, 2010) Figuur 3 Palp Lebertiainaequalis(Gerecke, 2010)
Wat mij het meest opviel aan deze mijt was dat deze aanzienlijk kleiner was dan de exemplaren van Lebertia inaequalis in het monster, en dat de huid er wat anders uit zag (finelyporose wordt het in de literatuur genoemd). Niet zo glad als dat ik van L. inaequalis gewend was. Aan de palp viel mij vooral de lange ventrale haar aan palplid 2 op (zie figuur 2), veel langer dan die van L. inaequalis(figuur 3).
In onderstaande tabel staan wat kenmerken op een rij.

Tabel 1 Kenmerken (Gerecke, 2010)
Kenmerk L. longiseta L. inaequalis
Huid Glad, finelyporose Glad
Palp lid 2: ventrale haar Lang en dun, zo lang als de lengte van lid 2 en 3 samen. Korter en dikker, niet zo lang als lid 2 en 3 samen.
Coxa I/II: Ratio mediale lengte 0,9 -1,3 >1,3
Zwemharen op poot 2 vijfde lid posterior: 6 -7 2 – 6
Grootte: Man: 900
Vrouw: 800 – 1000 Man: 800 – 1200
Vrouw: 1000 – 1300

Deze bijzondere mijt is in het voorjaar aangetroffen op de vistrap in de Lettelerleide(meetpunt VLL80) in het beheergebied van Waterschap Groot Salland. Deze leiding ligt nabij, hoe kan het ook anders, het plaatsje Lettele ten Oosten van Deventer. Het meetpunt is gelegen in extensief grasland en is niet beschaduwd. De gemiddelde stroomsnelheid in de vistrap ligt tussen de 5 en 10cm/s. De maximale stroomsnelheid ligt tussen de 40 en 50 cm/s, zowel in het voor- als in het najaar. De leiding wordt duidelijk gevoed door kwelwater. De macrofauna-levensgemeenschap is indicatief voor langzaam stromend voedselrijk water van goede kwaliteit. Diverse soorten, vooral in het najaar, zijn indicatief voor inlaat van systeemvreemd water. Noemenswaardig in deze waterloop is ook de zeldzame watermijt Arrenurus furcillatus. Deze mijt is vaker aangetroffen in deze leiding en ook in andere kleine plantenrijke wateren in Groot Salland die beïnvloed worden door kwel.
Lebertia longiseta is nieuw voor Nederland en volgens Tuzovskij (2013) bekend uit zowel stilstaande als stromende wateren in de (pre)Alpen.

Lettelerleide vistrap: 15 april 2013 2 september 2013

Het is leuk dat ik nu de primeur heb, maar het is heel goed mogelijk dat door gebruik van bovengenoemd determinatiewerk meerdere exemplaren van Lebertia longiseta spoedig opduiken.

Middels deze uiteenzetting hoop ik dat jullie extra alert zijn geworden en nog beter opletten als je weer exemplaren van Lebertia inaequalis tegen komt, want wie weet krijg jij ook ineens dat onderbuikgevoel!

Gebruikte literatuur

Di Sabatino, A. et al. (2010): Chelicerata: Araneae, Acari II. Süßwasserfauna von Mitteleuropa 7/2-2: 1-234. ISBN 9783827418944. Spektrum Akademischer Verlag.
Tuzovskij, P.V. (2013): Larval morphology of Lebertia longiseta Bader, 1955, L. dubia Thor, 1899 and Oxus nodigerus Koenike, 1898 (Acari, Hydrachnidia: Lebertiidae, Oxidae). Zootaxa 3619 (5): 569–580.

Eveline Stegeman-Broos
Team Hydrobiologie
estegeman@aqualysis.nl

Gezocht: Radix labiata

Het genus Radix is berucht vanwege grote plasticiteit in de schelp en weinig goede anatomische kenmerken die houvast geven bij het determineren. Dit geldt zeker voor het koppel Radix balthica (vroeger R. ovata) en R. labiata (vroeger R. peregra). Van de laatste wordt veel al verondersteld dat ze in Nederland voorkomt, maar met de huidige kennis over de determinatie van deze soort is dat maar zeer de vraag. Bij diverse claims, die ik heb kunnen natrekken, bleek het elke keer toch weer om R. balthica te gaan. Ook het materiaal waarop de opname in Gittenberger et al. (1998) is gebaseerd kan de toets met de huidige kennis niet doorstaan.

Aangezien het mijzelf ook nog niet is gelukt de soort te vinden plaats ik bij deze een oproep.
Graag ontvang ik goed geconserveerd Radix-materiaal dat je om de een of andere reden verdacht vindt. Vooral dieren met een donkere mantel verdienen hierbij extra aandacht.
Het ontvangen materiaal zal ik anatomisch onderzoeken en wanneer het mogelijk daadwerkelijk om
R. labiata gaat zal er vervolgens DNA-werk aan te pas komen. Dat is eigenlijk de enige zekere weg om deze lastige soort nu voor eens en altijd voor de Nederlandse fauna aan te tonen!

Materiaal kan naar:
Menno Soes
Bureau Waardenburg
Postbus 365
4100 AJ Culemborg

Uit het nieuws:

Kokerjuffers kunnen beekherstel afmaken
Bericht uitgegeven door Alterra Wageningen UR en Stichting Bargerveen op 20 maart 2014

http://www.natuurbericht.nl/?id=12341&cat=insecten

Verspreidingsatlas Libellen in Drenthe
Vanaf mei 2014 verschijnt het boek “Libellen in Drenthe”, een verspreidingsatlas met informatie over de libellenfauna van de provincie Drenthe.

Ruim 10 jaar lang hebben vrijwilligers van de libellenwerkgroep Drenthe met plezier libellen in de provincie geïnventariseerd. Dit heeft ondermeer geleid tot deze verspreidingsatlas.
Zie http://www.brachytron.nl/

Einde macrofaunaniewsmail 114

Macrofaunanieuwsmail 113, 17 februari 2014

 Beste lezers,

 Een kleine wintereditie van de macrofaunanieuwsmail met soortbeschrijvingen en een oproep.

En de lente is al een beetje begonnen……

  Als je wat ziet, hoort of leest, Stuur je berichten naar  macrofauna@rws.nl.

 Alle verschenen nummers van de macrofaunanieuwsmail zijn nog te downloaden via de helpdeskwater site. Daarnaast is het mogelijk om vanaf nummer 100 te zoeken op trefwoorden.

Hiervoor dank aan Nynke Westra van de Helpdesk water:

 http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

 Is uw email adres gewijzigd…….geef het ook even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

 Determinatiekenmerken van Stempellinabausei (Kieffer, 1911).2

Oproep voor bodemhapper. 3

De nymphe van Micronecta griseola. 4

Determinatieproblemendag 2013 bij Groot Salland een succes!5

TWN: nieuwe hoofdgroep voor Echinodermata [ECHIN]6

Determinatiekenmerken van Stempellinabausei (Kieffer, 1911).

Hans Hop

 In 2011 is een vertaling van de Stempellina-tabel in Pankratova (1983) verschenen in de Macrofauna Nieuwsmail 97. Daarbij werden ook enkele foto’s en beschrijvingen van enkele Nederlandse vondsten getoond. (Boonstra et al., 2011).

In de Sallandse weteringen werden op diverse plaatsen larven aangetroffen met een kleine zwarte doorn of in ieder geval een duidelijke zwarte verkleuring van de bovenkant van de pre- anale borsteldrager. Dit maakt het verwarrend om Stempellina bausei en S. subglabripennis met bovengenoemde tabel van elkaar te onderscheiden.

 Citaat tabel:

6 (7) Theca (**) achter clypeaalsetae sterk verhoogd. Pre-anale borsteldrager aan de bovenkant van de binnenzijde met een korte gitzwarte doorn.                                                S. subglabripennis

7 (6) Theca achter clypeaalsetae niet verhoogd. Pre-anale borsteldrager aan de bovenkant van de binnenzijde zonder gitzwarte doorn.                                                                         S. bausei

 Na de vondst van Stempellina bausei poppen (gedetermineerd met Langton 1991) samen met een groot aantal larven en prepupae bleek dat alle larven een zwarte doorntje op de bovenkant van de pre-anale borsteldrager hadden. De theca van deze larven was licht verhoogd. Het lijkt op een laag ringetje waaruit de clypeaalsetae komen.

 Pre anale borsteldragers S. Bausei

Theca met clypaalsetae S. bausei                   Antenne en theca S. subglabripennis (Shilova)

 Door Olav Duijts is bevestigd dat de Stempellina larven die in het nieuwsmail artikel genoemd worden kleine zwarte doorns op de pre anale borsteldragers hadden. Ook in Twente worden larven met zwarte doorns en de ringvormige theca aangetroffen. Het ontbreken van de zwarte doorns lijkt dus niet op te gaan voor Nederlands materiaal. De larven van S. subglabripennis moeten een sterk verhoogde theca hebben. Een plaatje hiervan wordt gegeven door Shilova. Of deze larven al in Nederland zijn aangetroffen weet ik niet, maar ik hoor graag van deze vondsten.

Referenties

H. Boonstra, R. Wiggers, O. Duijts, H. Cuppen, T. van Haaren, D. Tempelman & G. Wolters (2011). Bijzondere macrofaunasoorten aangetroffen in 2010 binnen het meetnet van Waterschap Regge en Dinkel. Macrofauna-nieuwsmail 97: 4-11.

Langton, P. H. (1991): Chironomidae exuviae, A key to pupal exuviae of the West Palaearctic Region. Huntingdon.

Панкратова, В.Я. (1983). Личинки и куколки комаров подсемейства Chironomidae фауны СССР (Diptera, Chironomidae = Tendipedidae). Академия наук СССР. Leningrad, 295p.

Шилова, А.И. (1976). Хирономидырыбинскоговодохранилища. Издательствонаука.Leningrad, 252 p.

 David Tempelman wordt bedankt voor de literatuur en Olaf Duijts voor het nakijken van de kenmerken.

 hhop@aqualysis.nl                               

Aqualysis waterlaboratorium

Dokter van Thienenweg 1, 8025  AL Zwolle

Postbus 12, 8000 AA Zwolle

T. (038) 455 67 30

   

Oproep voor bodemhapper

 Dag allen,

 Van een collega uit Duitsland kreeg ik de vraag of ik een bodemhapper te koop weet.

Zelf beschik ik hier niet over, vandaar mijn vraag: Heeft iemand van jullie er nog een over?

 Alvast hartelijk dank voor het meedenken.

 Groetjes,

Henk Vallenduuk

buro.vallenduuk@home.nl

 

 De nymphe van Micronecta griseola

 De nymphe van Micronecta griseola lijkt nog onbeschreven te zijn. In macrofaunanieuwsmail 88 beschreef David Tempelman de verschillen tussen de nymphen van drie soorten Micronecta, maar

M. griseola ontbrak toen nog. Deze is nu ook boven water.

Ik heb een vijfde instar van de Roer fietsbrug (gevangen op 16 Mei 2011 door Moniek Korsten en Barend van Maanen, samen met elf adulten). Dit moet wel M. griseola zijn, want op M. scholtzi of

M. minutissima lijkt hij niet, en M. poweri komt er niet voor.

Hij lijkt echter behoorlijk op de nymphe van M. poweri. Ik heb alleen kunnen vergelijken met een

M. poweri uit Ierland. Deze lijkt sprekend, hij is alleen wat donkerder maar het is wel duidelijk dat dat geen goed kenmerk is, want de M. poweri die staan afgebeeld in de hierboven genoemde macrofaunanieuwsmail zijn al minder donker.

Het kleurpatroon van M. griseola is dus in grote lijnen gelijk aan dat van M. poweri, zoals de lezer zelf kan zien. Wie mijn tekening vergelijkt met de foto van David moet nog even goed oppassen, want de foto is van een levend exemplaar en mijn tekening van een geconserveerde. Ook levende M griseola hebben wat rode streepjes hier en daar, maar in alcohol verdwijnen deze snel. Er zijn op zich wel verschillen te zien, vooral op het metanotum. Het is verleidelijk deze allemaal te gaan opsommen en te doen alsof iedereen ze daarmee kan gaan determineren, maar dat lijkt me niet zinvol, zolang er niet meer bekend is over de variatie van beide soorten. De conclusie moet dus zijn dat de nymphen van

M. poweri en M. griseola voorlopig niet betrouwbaar van elkaar te scheiden zijn. Het goede nieuws is echter dat Micronecta griseola niet met M. scholtzi of M. minutissima te verwarren is, dus deze twee soorten kunnen nu met grotere zekerheid op naam worden gebracht.

Andre van Nieuwenhuijzen

Adviesburo Haliplus

andre@haliplus.eu

  

 

Determinatieproblemendag 2013 bij Groot Salland een succes!

 Op 17 december jongsleden was het een drukke bedoening op het hydrobiologisch lab op het hoofdkantoor van Groot Salland. Daar waar normaal 6 hydrobiologen op één kamer zitten, waren het er ineens 21!

Sinds twee jaar organiseert het team hydrobiologie, dat sinds 1 januari niet meer onder Waterschap Groot Salland valt, maar onderdeel is geworden van het Waterschapslaboratorium Aqualysis, een landelijke determinatieproblemendag. De determinatieproblemendag in 2012 was al een succes met 8 (externe) deelnemers, maar dat een jaar later het aantal aanmeldingen meer dan verdubbelde, dat hadden we niet verwacht. Deelnemende partijen waren o.a. biologische laboratoria van en voor de waterschappen en een aantal adviesbureaus.

Op zes verschillende werkplekken werden in groepjes probleemgevallen behandeld. Veelal ging het de interpretatie van kenmerken van soorten die sterk op elkaar lijken, en controle van bijzondere soorten. Naast het vergelijken van oude en nieuwe literatuur werd ook door diverse collega’s dankbaar gebruik gemaakt van de mogelijkheid om in onze referentiecollectie te kijken. Zo konden soorten die in eigen onderzoeksgebieden niet voorkomen toch worden bestudeerd. Tot slot heeft Cor van de Sande van Stichting Waterproef een presentatie verzorgd over de snuitkevers (Curculionidae) die in watermonsters aangetroffen kunnen worden. Met behulp van een camera op een binoculair konden soorten uit de referentiecollectie van Cor goed op een computerscherm worden bestudeerd.

Al met al een zeer geslaagde en gezellige dag met zoveel collega’s op bezoek. Er is een hoop gediscussieerd en besproken, een hoop probleemgevallen zijn opgelost en diverse referentiecollecties zijn weer een aantal soorten rijker.

We kijken uit naar de volgende determinatieproblemendag!

 Team Hydrobiologie    

 Hans Hop

Rob Heusinkveld

Johan Mulder

Eveline Stegeman-Broos

Dolf Venema

Eelke Schoppers    

 

TWN: nieuwe hoofdgroep voor Echinodermata [ECHIN]

 Binnen de TWN Macro-evertebraten zijn er verschillende hoofdgroepen die elk te selecteren zijn. http://www.aquo.nl/tools/twn-lijst/

Eén van deze hoofdgroepen is een verzamelgroep, Marien overig. Hierin zaten ook de stekelhuidigen.

Er zijn nu zoveel soorten in de Nederlandse wateren aangetroffen dat er besloten is deze apart in een groep te plaatsen de Echinodermata [ECHIN].

Zo is deze groep nu apart te selecteren.

 In 2013 zijn er in totaal totaal 461 taxa toegevoegd dan wel gewijzigd en daarbij 27 literatuurreferenties toegevoegd.          

 Met vriendelijke groet,

 Myra Swarte

 Laboratorium Hydrobiologie

Rijkswaterstaat Centrale Informatievoorziening

Postbus 17, 8200 AA Lelystad

 Einde macrofaunaniewsmail 113

Macrofaunanieuwsmail 112, 11 december 2013

Beste lezers,

 De kersteditie van de macrofaunanieuwsmail

met vele bijzondere en nieuwe soorten, een onderzoeksverslag, nieuwe lezers en literatuur.

 Als je wat ziet, hoort of leest, stuur je berichten naar macrofauna@rws.nl.

 Eerder verschenen nummers staan op:

 http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws

 En het weblog kan je gebruiken als zoekfunctie: https://macrofauna.wordpress.com/

 Is uw email adres gewijzigd……….…….geef het even door aan macrofauna@rws.nl

 (alvast) Fijne feestdagen en een goede jaarwisseling,

Myra Swarte

In dit nummer:

 Suphrodytes figuratus: nieuwe keversoort voor Nederland. 2

Fotowebsite Arachnida. 4

Atractides lacustris, na 74 jaar is deze watermijt weer aangetroffen in Nederland. 4

Nieuwe macrofaunasoorten in Friesland. 7

Lopend onderzoek – Temporele variatie in de macrofauna levensgemeenschap van beken  8

STEL JE VOOR 1. 10

STEL JE VOOR 2. 10

Literatuur. 11

Suphrodytes figuratus: nieuwe keversoort voor Nederland

Tijdens het determineren van het genus Suphrodytes, voldeden een 2-tal exemplaren niet aan de

kenmerken van Suphrodytes dorsalis, zoals beschreven in de Nederlandse determinatiesleutel [1].

Het vermoeden ontstond dat er wellicht meerdere soorten in Nederland voorkomen.

Om dit vermoeden te onderbouwen, ben ik op zoek gegaan naar een sleutel met de beschrijving van

meerdere soorten. Het artikel van Bergsten et al. van 2012 [2] biedt de onderbouwing voor het

onderscheiden van 2 soorten (zie figuur 1), te weten Suphrodytes dorsalis en Suphrodytes figuratus.

Middels DNA-onderzoek is bewezen dan het inderdaad om verschillende soorten gaat. Bovendien bevat het artikel een zeer bruikbare sleutel en duidelijke ondersteuning in de vorm van foto’s en tekeningen. Daarmee kunnen de beide soorten relatief gemakkelijk worden onderscheiden.

 Figuur 1: links S. figuratus van locatie Moergat en rechts S. dorsalis van locatie Vennen bij den Aard (foto AQUON- Locatie Tiel)

 De gele tekening kan (zeer) variabel zijn en hoeft niet zo uitgesproken te zijn als bij de kevers in fig. 1.

S. figuratus heeft doorgaans wel een koptekening en S. dorsalis niet. Het halsschild van S. figuratus is aan de zijranden licht gekleurd met een onduidelijke instulping naar het midden toe. Bij S. dorsalis zijn de zijranden van het halsschild ook licht gekleurd maar de instulping naar het midden toe is duidelijker en rechthoekig van vorm. Bij S. figuratus zijn de gele vlekken op de schouders van de dekschilden vaak verbonden met de gele tekening op de randen van de dekschilden waardoor een gele dwarstekening ontstaat. Indien aanwezig dan is de gele tekening op de schouders van S. dorsalis nooit verbonden met de tekening op de randen van de dekschilden. S. dorsalis is meestal groter dan S. figuratus. Daarnaast is er verschil in de verhouding tussen de lengte van de dekschilden en de breedte van de dekschilden. De dekschilden van S. dorsalis zijn meer langgerekt dan die van S. figuratus.

Bij de mannetjes brengt het genitaal en/of de voorklauw verder uitsluitsel. Het verschil is bij de

voorklauw duidelijk te zien. De voorklauw van S. dorsalis is slanker en minder robuust dan de voorklauw van S. figuratus.

 

Tot nu toe was in Nederland enkel S.dorsalis bekend. Daar komt nu S. figuratus bij. Beiden soorten

kunnen naast elkaar voorkomen. Waarschijnlijk is S. figurates algemener dan S. dorsalis. Toekomstige determinaties of herdeterminaties van oud materiaal moeten daarover uitsluitsel geven.

Het zijn beide soorten van schaduwrijke, stilstaande (semi)permanente wateren met een dikke laag grof organisch materiaal [1] en ze kunnen naast elkaar voorkomen.

AQUON heeft de nieuwe soort in 2013 vooralsnog op 3 locaties aangetroffen, te weten Vennen bij den

Aard, Moergat en Ubbergen (zie figuur 2). S. dorsalis is nog slechts op 1 locatie aangetroffen, te weten Vennen bij den Aard.

 

Figuur 2: locaties binnen het beheersgebied van AQUON waar S. figuratus is aangetroffen

(figuur en foto’s door AQUON)

 [1]De waterkevers van Nederland, Drost et al., 1992.

[2]Sympatry and colour variation disguised well-differentiated sister species: Suphrodytes revised with

integrative taxonomy including 5 kbp of housekeeping genes (Coleoptera: Dytiscidae), Bergsten et    al., 2012.

Voor meer informatie:

Cindy van den Berg

E: c.vandenberg@aquon.nl

AQUON Tiel

 

Fotowebsite Arachnida

 Ik weet niet of deze site al bekend is: http://www.fotopage-watermites.eu/english/eng_index.htm

 Groeten,

Wouter Balster

 

 Atractides lacustris, na 74 jaar is deze watermijt weer aangetroffen in Nederland.

 Tijdens de bemonstering van het meetnet van waterschap Vallei en Veluwe is op 4 april 2013 een vrouwtje van de watermijt Atractides lacustris (synoniem: Atractides moniezi) aangetroffen in de

Rode Beek in Vaassen (194945 – 478308). De laatste waarneming van Nederland dateert van 1949. De soort kwam vroeger voor in de Rosep (Noord-Brabant) en er is een eenmalige vangst in de

Grote wetering bij Kaathoven (Noord-Brabant).

 Locatiecode: 600921     Rode beek Vaassen                  KRWtype: R04Coörd: 194945 – 478308

 Determinatie

 Deze soort is een vertegenwoordiger van het subgenus Tympanomegapus dat o.a. gekenmerkt wordt door het langgerekte rostrum. De determinatie is volgens Gerecke (2003) gedaan.

 Rostrum langgerekt                                                                                                                                                                            Ventrale zijde Atractideslacustris

Atractides pavesi en Atractides lacustris kunnen worden onderscheiden door de lengteverhouding van de pootsegmenten 1p5 en 1p6, die bij A. lacustris kleiner is dan 1,35 en de aanwezigheid van een zwaardborstel op de mediane zijde van het palplid P4 van Atractides lacustris.

 Lengteverhouding 1p5 – 1p6 kleiner dan 1,35                                                     Zwaardborstel aanwezig op P4

 Dorsale zijde Atractideslacustris                                                                       Palpen: 1e lid lang en slank

 Verspreiding en ecologie

 Deze soort is alleen bekend uit Europa: Zweden, Ierland, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Rusland, in de Balkan regio en Lesbos (de laatste door Harry Smit verzameld) en is overal zeldzaam. De ecologie is volgens Lundblad (1962): vooral gevonden in meren, verder enkele langzaam stromende beken en een snel stromende beek. En volgens Gerecke (2003): Standing and slow running water. De Rosep is een beek in Noord-Brabant die gedeeltelijk door het natuurgebied de Kampina loopt.

 Vindplaats en begeleidende soorten

 De Rode Beek ontspringt als Geelmolensche beek op de oostrand van de Veluwe in de buurt van Nierssen in de bossen ten westen van Vaassen. Het is een gegraven sprengenbeek ten behoeve van de watervoorziening voorwatermolens voor de papierindustrie.

  • Het bekenstelsel bij Vaassen is zeer complex. De Rode Beek is hiervan de oorspronkelijke, natuurlijke beek. De beek ontsprong tussen Vaassen en buurtschap Niersen in een kwelgebiedje ten noordoosten van forellenkwekerij Het Hol. Dat is nog de plaats waar de beek het meeste water vandaan krijgt nadat meer westelijk gegraven aanvullende sprengen weer waren ontkoppeld ten behoeve van de Geelmolense Beek. De Rode Beek stroomde door het dal naar havezathe, later kasteel, Cannenburch en was ook eigendom van de Cannenburch. Lange tijd was de beek, die toen ook wel naar de weduwe van Marten van Isendoorn, één van de eigenaren van de Cannenburch, Vrouwe Martens Water genoemd werd, de motor van de Vaassense industrie. Verschillende watermolens werden door de beek aangedreven. De oudste daarvan was de al in 1387 bekende Korenmolen van Cannenburch. (Bron: De Bekenstichting)

De bemonsterde locatie in een woonwijk in Vaassen grenst aaneen tuin en een grasveld naast een blok met rijtjeshuizen vlak voor het beektraject wordt opgeleid. Het is een 1,5 meter brede beek van ongeveer 60 centimeter diepte voorzien van een houten beschoeiing. De bodem bestaat uit zand met detritus waarop een dik pakket van bladeren ligt (± 20 cm). De stroming van het heldere water is ongeveer 20 cm/s. De matig beschaduwde oevers zijn begroeid met tuinplanten en (kort gemaaid) gras. De aanwezige substraten zand en bladeren en in het najaar ook de aanwezige vegetatie van waterpest en Klein Fonteinkruid Potamogeton berchtoldi zijn bemonsterd en de houten beschoeiing is met het net afgeschraapt. In het najaar is Atractides lacustris niet aangetroffen.

 Er zijn ongeveer 100 soorten macrofauna aangetroffen in het voor- en najaar waarvan veel vertegenwoordigers karakteristiek zijn voor stromend water met een goede zuurstofhuishouding. Een groot aantal soorten wormen, bloedzuigers en slakken wijst op voedselverrijking en aanwezigheid van fijn slib of detritus. Wellicht wordt deze locatie beïnvloed door de forellenvijvers die zich bovenstrooms van de bemonsterde locatie bevinden. De meest abundante soorten zijn de watermijt Hygrobates longipalpis, de vlokreeftenGammarus roeseli en Gammarus pulex en de muggenlarven Apsectrotanypus trifascipennis en Rheocricotopus fuscipes. In het najaar is de erwtenmossel Pisidium het meest abundant en co-dominant zijn Gammarus pulex en Lebertia dubia.Er zijn opvallend veel Molanna angustata’s aanwezig die hun huisjes gemaakt hebben met schelpjes van Pisidium. De vondsten van Leptophlebia marginata, Nemoura avicularis en Nanocladius rectinervis zijn vrij zeldzaam in het beheersgebied. De ecologische kwaliteit volgens het type R4 wordt als matig beoordeeld volgens de KRW.

Literatuur:

Besseling, A.J. (1964): De Nederlandsche watermijten (HydrachnellaeLatreille 1802). Monographieën van de Nederlandsche Entomologische vereeniging no.1.

  • Gerecke, R. (2003): Concept: Water mites of the genus Atractides Koch, 1837 (Acari: Parasitengona: Hygrobatidae) in the western Palaearctic region: a revision.

Zoological Journal of the Linnean Society 138:141-378.

 

  • Smit, H. & H. van der Hammen (2000): Atlas van de Nederlandse watermijten

(Acari: Hydrachnidia). Nederlandse faunistische mededelingen

 

  • Viets, K. (1936): Spinnentiere oder Arachnoidea. VII: Wassermilben oder Hydracarina (Hydrachnellae und Halacaridae): Die Tierwelt Deutschlands 31, 32: 1-574.

 

Dankwoord

 

Voor het bevestigen van deze soort en het geven van ecologische informatie is Harry Smit behulpzaam geweest, waarvoor dank!

 

 

Johan Mulder

Hydrobiologisch analist

Waterschap Groot Salland (per 1-1-2014 Aqualysis)

Jmulder2@wgs.nl

 

Nieuwe macrofaunasoorten in Friesland

aangetroffen binnen het meetnet van Wetterskip Fryslân

Birgitta Brans en Olga Oliver Bosch

 

 * In het van Harinxmakanaal, Kiesterzijl werd in 2011 voor het eerst de polychaete worm Laonomecalida aangetroffen. Het gaat om een exoot waarschijnlijk afkomstig uit Azie of Australie.

 

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          Figuur 1: Laonomecalida, Harinxmakanaal, Kiesterzijl / 3-5-2011

 

* In 2012 werd in een kroonspolder op Vlieland Dryopssimilaris aangetroffen, een bijzondere en zeldzame keversoort.

 

 Figuur 2: Dryopssimilaris; Kroonspolder, Vlieland / 19-4-2012

 * Ook in deze kroonspolder op Vlieland werd de watermijt Piersigialimophilagevonden, welke een heel karakteristiek frontaalschild heeft met een achterste scleriet dat naar achter toe versmalt en naar voren de andere sclerieten deels omvat. Eerdere vondsten waren alleen uit Noord-Holland. De mijt komt in semi-aquatische milieus voor met een fluctuerend waterpeil.

 Figuur 3: Piersigialimophila; Kroonspolder, Vlieland / 19-4-2013

 * Verder werd ons op de oligochaeta cursus duidelijk dat de soort  Arcteonais lomondi niet vaak aangetroffen wordt. In Friesland  zijn acht vindplaatsen bekend (meeste uit 2010/2011) die  in het oosten van de provincie liggen. De soort komt voor in wateren met een (venige) slibbodem.

 

Lopend onderzoek – Temporele variatie in de macrofauna levensgemeenschap van beken

 Gefinancierd door          Waterschap Rijn en IJssel

Uitgevoerd door                         Bert Klutman, WRIJ

                                                                                                                     Rob Franken, http://robjmfranken.nl

 Van de ruimtelijke variatie in macroinvertebraten is meer bekend dan van de temporele. De relatieve abundantie van een soort varieert met de tijd, aangezien de omstandigheden, de beschikbaarheid van voedingsbronnen en het seizoen veranderen. Deze temporele dynamiek grijpt via de levenscyclus in op de beperkingen en mogelijkheden die soorten ondervinden.

 

Het doel van het onderzoek is het verkrijgen van inzicht in de temporele variatie in de samenstelling van de levensgemeenschap in beken. Zodoende worden ook de processen die er in de tijd spelen zichtbaar. Daarnaast levert deze studie ook een bijdrage aan de autecologische kennis van soorten.

 

Aanleiding van het onderzoek was een analyse van de effecten van herinrichtingsprojecten in beken en de wens van het Waterschap om meer inzicht te krijgen in de KRW-score.

 

Het onderzoek vindt plaats in twee beken. Deze verschillen in natuurlijk karakter. De natuurlijke beek, de Boven Slinge in natuurreservaat Bekendelle nabij Winterswijk, is een referentie voor natuurlijke laaglandbeken in Nederland. De andere beek, de Ramsbeek nabij Eibergen, staat model voor een gemiddelde beek in Nederland. Beide beken liggen in de Achterhoek.

 De Bovenslinge, Bekendelle

© Rob Franken

 

 Van september 2012 tot en met augustus 2013 zijn beide beken maandelijks bemonsterd. Per beektraject zijn een aantal verschillende habitats gedefinieerd welke afzonderlijk zijn bemonsterd. Voor beide beken zijn dat vegetatie, fijn organisch materiaal en zand en in de Boven Slinge ook nog dood hout, oever, riffle (ondiep ‘snel’ stromend) en pool (diep, ‘langzaam’ stromend). Dit resulteerde in 92 monsters voor de Boven Slinge en 43 voor de Ramsbeek.

 

In totaal zijn er ruim 46.000 individuen gevangen en op naam gebracht, waar mogelijk tot op soort. Hierbij zat de eerste waarneming voor Nederland van de watermijt Arrenurus membranator.

 

 Momenteel zitten we, na controle en standaardisatie van de gegevens, in de analysefase.

Aan de hand van o.a. tijdreeksanalyses, traits (soortspecifieke eigenschappen zoals voedingsgroep en mobiliteit) en multivariate analysetechnieken wordt inzicht verkregen in de temporele variatie en de patronen en processen. Hierbij wordt gekeken naar de verschillen tussen de habitats en tussen de twee beken. Ook de maandelijkse KRW-score (totaal en per habitat) wordt onder de loep genomen.

 

Het onderzoek zal o.a. verwerkt worden tot een rapport. Tegen de tijd dat deze is afgerond

(begin 2014) zal er via de macrofaunanieuwsmail melding van gemaakt worden.

 

Voor contact en vragen, mail naar robjmfranken@icloud.com

 

 De Ramsbeek

© Rob Franken
STEL JE VOOR 1

 

Hallo, mijn naam is Guido Stooker (1954). Ooit, 34 jaar geleden, begonnen als ‘inventarisatiemedewerker’ (medew.monitoring) bij Staatsbosbeheer in Brabant, maar daarna (bewust) steeds verder de kant van het beheer en management op geëvolueerd. Daarbij kwam ik steeds verder van het praktische veldwerk af te staan. Tot 2006 ben ik werkzaam geweest bij deze terreinbeheerder, toen een ernstige ziekte me werken verder onmogelijk maakte. Maar de passie voor natuur blijft! Dus langzamerhand mijn oude inventarisatiehobby weer opgepakt. Daarbij beperk ik me nu vooral tot de Dongevallei, een ca.40ha groot en 15 jaar jong natuurontwikkelingsgebied in een beekdal, gelegen te midden van een nieuwbouwwijk aan de westzijde van Tilburg.

Ik woon zelf in dat natuurgebiedje aan het water. Van huis uit vooral plantjesman en vogelaar, wil ik me nu meer concentreren op de insectenwereld. En dan met name de nachtvlinders. Daartoe ben ik dit jaar begonnen het inventariseren mbv. licht-op-laken op een vaste locatie. Daarbij word ik op prettige wijze begeleid door Henk Spijkers (Goirle), die ook mijn waarnemingen valideert. Ik heb dit nu een jaar gedaan en ben zeker enthousiast geworden voor het nachtvlinderen. Vanzelfsprekend krijg ik ook veel andere ‘bijvangsten’ op m’n laken, vooral veel schietmotten. Ik moet me voorlopig natuurlijk concentreren op één insectengroep, maar het is zonde als ik daar niets mee doe. Dus daarom wil ik me ook wat bezighouden met deze interessante insecten. Het gaat me nu nog vooral om de vaststelling van de aanwezigheid van soorten in het gebied, verder nog geen specifieke onderzoeksvragen. Daarmee probeer ik om (mbv. vele anderen) een zo goed mogelijk overzicht te verkrijgen van de Biodiversiteit van de Dongevallei. Omdat ik qua insecten op vrijwel O-level begin, is mijn behoefte aan informatie groot en zal mijn ‘bijdrage aan de wetenschap’ vooralsnog gering zijn. Mijn motto is: gewoon beginnen en langzaam opbouwen! Bij mijn oriëntatie in het wereldje van de entomologie kwam ik diverse organisaties, verenigingen en werkgroepen tegen. Mijn mobiliteit is beperkt, maar via diverse tijdschriften en nieuwsbrieven van deze insectenclubs ga ik proberen mijn kennis van de insecten verder uit te breiden. Het opdoen van contacten met ’specialisten’ die mij verder kunnen helpen, vormt daar onderdeel van. Ik hoop de komende jaren een interessante hobby met u te delen.

Mijn contactgegevens zijn: gstooker@live.nl

                                                                                                                                                                                                                                           

 

STEL JE VOOR 2

 Als taxonoom bij Mitox Trial Management B.V. in Amsterdam ben ik dagelijks aan de slag met arthropoden en met Lumbricidae. Dit werk ben ik ingerold dankzij mijn belangstelling voor de Diptera. Al met al betreft het voornamelijk terrestrische insecten. Vroeger, bij de jeugdbonden voor natuurstudie, was al mijn interesse gewekt voor waterbeestjes, en vooral de waterwantsen.

Sinds ruim een jaar heb ik die belangstelling nieuw leven ingeblazen, heb mezelf een hybienet kado gedaan en ben begonnen met verzamelen in een gebiedje in Tilburg. En het is natuurlijk niet mijn bedoeling het daarbij te laten. En al doende zal het ook wel niet bij waterwantsen blijven, want het is en blijft een fascinerende wereld, daar onder water!

 Vriendelijke groet,
André van Eck

  

Literatuur

 De water- en oppervlaktewantsen van België

 

ERIC STOFFELEN, HANS HENDERICKX,

THIERRY VERCAUTEREN,

KOEN LOCK & ROP BOSMANS

 Het eerste Nederlandstalig boek in België over deze groep van insecten bevat 256 blz. en meer dan 450 originele foto’s die speciaal voor dit boek werden gemaakt. Elk van de  64 soorten wordt beschreven en afgebeeld. Nog nooit werden deze dieren zo grondig in beeld gebracht.

 Doelstelling

Dit boek kan gebruikt worden als veldgids door de beginnende natuurliefhebber met interesse voor het boeiende waterleven, maar is ook een naslagwerk voor de gepassioneerde natuuronderzoeker.

Details

Uitgever                                                                                Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) – Brussel

Voorintekenprijs                     40 € tot 20 november, nadien 45 €.

Verschijningsdatum                20 november

Verzendkosten                                              niet inbegrepen

Besteladres                                                              bestellingen@natuurwetenschappen.be

 

 

Chironomidae Larvae – Biology and Ecology of the aquatic Orthocladiinae

 Authors:                       Henk K.M. Moller Pillot

Publisher:         www.knnvuitgeverij.nl

ISBN:                           978 90 5011 459 2

Price:                           € 89,95

 Henk K.M. Moller Pillot

henkmollerpillot@hetnet.nl

 

Nieuw:

 Dagvlinders in de Benelux maakt op een originele wijze inzichtelijk hoe iedere vlindersoort in zijn voortbestaan gebonden is aan bepaalde landschappen.

 Dagvlinders in de Benelux is uitgevoerd in een liggend A4 formaat met harde kaft en telt 192 bladzijden. Er zijn daarin meer dan 620 foto’s opgenomen en 380 figuren en tabellen.

Auteur: Frits Bink. € 39,95.        www.vermandel.com.

 Einde macrofaunaniewsmail 112

Macrofaunanieuwsmail 111, 29 oktober 2013

Beste lezers,

De herfsteditie van de macrofaunanieuwsmail
met vele bijzondere en nieuwe soorten, een oproep, een nieuw boek, een cursus en een weetje.

Bijgevoegd een nieuwe uitgave van
“De Digitale Kokerjuffer”
van Koen Lock en David Tempelman

Als je wat ziet, hoort of leest, stuur je berichten naar macrofauna@rws.nl.

Eerder verschenen nummers staan op:

http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws
Is uw email adres gewijzigd……….…….geef het even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

Parachironomus, correcties en oproep 2
Een nieuwe dansmug, lastige kokerjuffers en bijzondere en nieuwe macrofaunasoorten, 3
De water- en oppervlaktewantsen van België 10
Bestimmungskurs ” Süßwassermollusken” 11
Handigheidjes bij het gebruik van DMHF 12

Parachironomus, correcties en oproep

In de sleutel van Henk Moller Pillot (2009b) is een vervelende fout geslopen door een samenloop van omstandigheden.
Het gaat om de soortnamen Parachironomus biannulatus en vitiosus.
In de sleutel van Langton (1991) staan enkele fouten bij het genus Parachironomus (Spies en Bolton 2013). De soort biannulatus [couplet 110] is de “echte” vitiosus en de vitiosus [couplet 117] is de soort cinctellus.
De beschrijvingen in Shilova (1965 en 1968) zijn correct in tegenstelling tot wat in Moller Pillot (2009) vermeld staat. Zoals het in de publicatie van Moller Pillot (1984) staat, als P. gr. vitiosus, is het correct. Het betreft echter niet een groep maar één soort: P. vitisous.
Wat in Moller Pillot (2009b) staat als P. biannulatus is de soort vitiosus, omdat de soortbepaling gebaseerd was op de publicatie van Langton (1991). Dat houdt dus in dat alle determinaties van P. biannulatus sensu Moller Pillot 2009b gewijzigd dienen te worden in P. vitiosus. Henk gaat de ecologische informatie nog aanpassen.
Niet betrouwbaar in Langton (1991) zijn de kenmerken die bij sp. Pe = ?mauricii [couplet 105] staan, omdat het kenmerk van een onderbroken hookrow op segment II bij meer soorten voorkomt.
Op dit moment werk ik aan een uitgebreidere sleutel voor de larven [publicatie voorjaar 2014].

Oproep
Larven van veel soorten van dit genus zijn predatoren van muggenlarven en andere kleine dieren. Sommige leven in slakken, zoals mauricii en varus. Maar er is ook een soort die parasiteert op eilegsels van kikkers. De larven kruipen zo’n klompje in en eten de kikkerlarven. De volwassen dieren vliegen in de eerste helft van mei uit, althans in Rusland (Shilova, 1969).

Referenties
Langton, P.H. (1991): A key to pupal exuviae of West Palaearctic CHIRONOMIDAE.- Private publication: 1-386
Moller Pillot, H.K.M. (1984): De larven der Nederlandse Chironomidae (Diptera). (Inleiding, Tanypodinae & Chironomini).- Nederlandse Faunistische Mededelingen 3. dr.: 1-277, Rijksmus. Natuurl. Hist., Leiden
Moller Pillot, H.K.M (2009): Chironomidae Larvae of the Netherlands and Adjacent Lowlands. Biology and Ecology of the Chironomini.- KNNV Publishing: 1-270, Zeist
Moller Pillot, H.K.M. (2009b): A key to the larvae of the aquatic Chironomidae of the North-West European Lowland. Provisional translation of “De Larven der Nederlandse Chironomidae, 1984” with many additions. Second edition, 2009b, with only minor corrections.- Private publication, “not for sale”
Shilova, A.I. (1965): Metamorfoz Parachironomus vitiosus Goetgh. i nekotorye dannye po ego biologii (Diptera, Tendipedidae). (The metamorphosis of Parachironomus vitiosus Goetgh. and some data on its biology (Diptera, Tendipedidae).).- Trudy Inst. Biol. vnutr. Vod. 8: 102-109
Shilova, A.I. (1968): Materialy po biologii peristousykh komarov roda Parachironomus Lenz (Diptera, Chironomidae). (Information on the biology of the genus Parachironomus Lenz (Diptera, Chironomidae). In: ??? [Biology and trofic relationship between freshwater invertebrates and fish].- Trudy Inst. Biol. vnutr. Vod 17: 104-123
Shilova, A.I. (1969): Novyi vid roda Parachironomus Lenz (Diptera, Chironomidae) Parachironomus kuzini sp. n. (A new species of the genus Parachironomus Lenz (Diptera, Chironomidae) Parachironomus kuzini sp. n.) – In: Fiziologiya vodnykh organizmov i ikh rol’ v krugovorote organicheskogo veshchestva. (Physiology of aquatic organisms and their role in the cycling of organic matter.).- Trudy Akad. Nauk SSSR, Inst. Biol. Vnutr. Vod 19: 173-184
Spies, M. & Bolton, S.J. [2013]: On the first record from Britain of Parachironomus elodeae (Townes) (Diptera, Chironomidae).- Dipterists Digest 20: 79-85

Groeten,
Henk Vallenduuk

Een nieuwe dansmug, lastige kokerjuffers en bijzondere en nieuwe macrofaunasoorten,
aangetroffen in 2012 binnen het meetnet van Waterschap Regge en Dinkel

Harry Boonstra, Rink Wiggers, Olaf Duijts & Gersjon Wolters

Koeman en Bijkerk
Oktober 2013

In 2012 zijn door medewerkers van Koeman en Bijkerk en Adviesbureau Cuppen weer monsters
gedetermineerd uit het beheergebied van Waterschap Regge en Dinkel. Dit levert elk jaar weer leuke
en verrassende vondsten op, waaronder de eerste melding van een nieuwe dansmug. Nieuwe
determinatiewerken en -inzichten dragen bij aan het herkennen van onderstaande soorten, maar ook
een betere waterkwaliteit en beekherstel hebben zeker hun aandeel in het rijke lijstje met bijzondere
soorten die we kunnen melden van Twente. Omdat Waterschap Regge en Dinkel naast de KRW
locaties ook de kleine overige wateren (ofwel waterparels) nog goed vertegenwoordigd heeft in haar
meetnet vinden we juist op deze plekken nog vele landelijke zeldzaamheden. Hieronder een
samenvatting van de meest interessante waarnemingen die we in 2012 hebben gedaan.

Arcteonais lomondi (1 exemplaar, Linderbeek Den Ham, 23-04-2012)
In het WRD gebied (Twente) is dit de derde keer dat deze worm is aangetroffen. In 2011 werd deze
soort voor het eerst waargenomen in Twente (Boonstra et al. 2012; van Haaren & Soors, 2013) De
worm wordt voornamelijk aangetroffen in veenplassen, maar ook in sloten en beken (Van Haaren &
Soors, 2013). Onlangs is de soort ook vastgesteld voor Groningen in een slenk in de Onlanden (eigen
waarnemingen Koeman en Bijkerk).

Arrenurus sculptus (1 ♀, Hazelbeek, Nutter, 04-04-2012)
Het betreft hier de eerste vondst voor de provincie Overijssel. A. sculptus was tot op heden bekend
van de provincies Noord Holland, Utrecht en Limburg (Smit & van der Hammen, 2000; Smit et al.
2012). Deze watermijt wordt alleen op kwelgevoede locaties aangetroffen.

Atractides distans (1 ♀, Springendalse beek, Lattrop, 01-10-2012)
Sinds 2000 is dit de derde locatie waar deze watermijt is aangetroffen in het WRD gebied (Twente). In
2001, 2007 en ook in 2012 is de mijt aangetroffen in de Rammelbeek en in 2011 in de Hazelbeek.
Landelijk is er een spectaculaire toename van A. distans vast te stellen (Smit et al. 2012). De soort
profiteert zeer waarschijnlijk van een verbeterde waterkwaliteit en beekmorfologie door beekherstel.
Daarnaast zorgt populatiegroei voor een versnelde kolonisatie van de beeksystemen.

Bandakia concreta (3 exemplaren, Mosbron, Hezingen 28-03-2012)
De waarneming van deze watermijt is reeds gemeld in Smit et al. (2012). Het betreft hier echter de
eerste waarneming in een monster voor WRD. Deze typische bronsoort (Figuur 1) is nu bekend van
twee locaties in Overijssel. In een ver verleden (1935) is de soort ook in Limburg aangetroffen.

Figuur 1. Bandakia concreta dorsaal (Foto C. Brochard).
Caspiobdella fadejewi (2 exemplaren, Boven Dinkel, De Lutte, 26-04-2012)
Deze van oorsprong Ponto-Kaspische soort is pas in 2000 voor het eerst in Nederland aangetroffen
(Klink, 2000) en is sindsdien veelvuldig aangetroffen in de Nederlandse rivieren. Het betreft hier echter
de eerste waarneming in het WRD gebied. Volgens Limnodata zijn er nog geen waarnemingen van
deze bloedzuiger uit de provincie Overijssel.

Dixella graeca (1 larve, Springendalse beek, Lattrop, 01-10-2012)
Dit is de tweede waarneming van deze meniscusmug in Twente (WRD gebied). In 2004 is deze soort
reeds in de Eschmedenbeek bij Weerselo aangetroffen. Ook is de soort waargenomen in de
Brunninkhuizerbeek (pers. mededeling R. Wiggers). In Gelderland is de soort tevens op meerdere
locaties aangetroffen (Cuppen, 2005)

Gerris gibbifer (1 exemplaar, Onlandbeek Noordtak Bron, Hezingen, 30-03-2012)
Deze redelijk zeldzame schaatsenrijder van de pleistocene gebieden is in het WRD gebied sinds 2000
nog maar drie keer waargenomen. Aukema et al. (2002) melden de soort van bospoelen, vennen,
veenputten en (bovenlopen) van (genormaliseerde) beken. Onze vindplaats is een beschaduwde
bronkop in een bos en past dus goed in het huidige bekende biotoop.

Goera pilosa (1 larve, Rammelbeek, Denekamp, 07-05-2012 (Figuur 2); 1 larve, zelfde locatie,
08-10-2012)
Deze kokerjuffer is niet eerder waargenomen in monsters van WRD en in Overijssel is deze soort
maar op één andere locatie aangetroffen in Buurse op 16 juni 1943 (gegevens EIS database; Higler,
2008). In Gelderland, Brabant en Limburg is deze soort vrij algemeen en de nieuwe meest noordelijke
locatie in Twente sluit dus goed aan bij het huidige bekende verspreidingsgebied van Goera pilosa.

Figuur 2. Rammelbeek, Denekamp.
Op deze plaats vinden we regelmatig bijzondere soorten voor Twente.

Gyrinus minutus (1 ♂, Oude Broekplas, Volthe, 01-05-2012) Voor Twente een nieuwe soort. Dit kleine
schrijvertje dat voornamelijk in vennen voorkomt wordt de laatste jaren weer vaker waargenomen dan
aan het einde van de vorige eeuw (eigen waarnemingen H. Boonstra; www. waarneming.nl). Mogelijk
hebben de anti-verzuringsmaatregelen voor deze soort al goed uitgepakt.

Heptagenia sulphurea (1 nymphe, Beneden Dinkel, Beuningen, 26-04-2012)
Het betreft hier de eerste waarneming van deze haft in het WRD gebied. Mol (1985) meldt al wel een
nymphe van de Vecht nabij Ommen uit 1926 en in 1999 is in de IJssel bij Kampen ook een nymphe
gevangen (gegevens Rijkswaterstaat CIV). H. sulphurea (Figuur 3) wordt tegenwoordig regelmatig
aangetroffen in Gelderland en Limburg (gegevens Waterschap Rijn en IJssel, Waterschap Roer en
Overmaas, Waterschap Peel en Maasvallei en EIS-Nederland). De vindplaats in de Dinkel is erg
zandig met vele stroomribbels en maar weinig detritus.

Figuur 3. Heptagenia sulphurea dorsaal (Foto H. Boonstra).

Lebertia natans (1 ♂ en 1 ♀, Beneden Dinkel, Lattrop, 25-04-2012; 1 ♀, Beneden Dinkel, Beuningen,
26-04-2012)
Deze watermijt is onlangs vastgesteld als nieuwe soort voor de Nederlandse fauna. Naast twee
eerdere waarnemingen in de Boven Dinkel (Smit et al. 2012) is Lebertia natans nu ook op twee
locaties in de Beneden Dinkel aangetroffen. Buiten Nederland wordt deze soort aangetroffen in
benedenstroomse delen van beken (Di Sabatino et al. 2010). Ook onze waarnemingen komen uit het
benedenstroomse deel van de Dinkel.

Limnoporus rufoscutellatus (1 ♂en 1 ♀, Agelerbroekven Noord, Agelo, 08-05-2012)
Naast de waarneming van een exemplaar in het Snippertven in 2009 is dit voor WRD de tweede
melding van deze zeldzame oppervlaktewants. De grote, bruine schaatsenrijder wordt vaak op
onbeschaduwde, grotere plassen met een goed ontwikkelde oever- en ondergedoken watervegetatie
waargenomen (Aukema et al. 2002). Beide vennen in Twente zijn vrij klein van stuk, maar hebben wel
een goed ontwikkelde vegetatie.

Lithax obscurus / Silo nigricornis
Sinds 2004 zijn in het WRD gebied elf waarnemingen gedaan op acht locaties betreffende Lithax
obscurus of Silo nigricornis. Nadat we afgelopen jaar tegen determinatieproblemen opliepen hebben
we alle records kunnen traceren en bleek het in alle gevallen te gaan om L. obscurus.

Figuur 4. Lithax obscurus dorsaal (Foto. D. Tempelman). De rode pijlen geven het slecht zichtbare
vierde paar metanotumsclerieten aan.

Een reden voor de misidentificatie is dat de eerste stap in Higler (2005) van de soortentabel van de
Goeridae direct al lastig is te interpreteren. Wij raden aan vooral het kenmerk van de
metanotumsclerieten (Figuur 4) te gebruiken om Goera (3 paar metanotumsclerieten) van Silo en
Lithax (beide 4 paar metanotumsclerieten) te onderscheiden. Wel is het zo dat L. obscurus een slecht
zichtbaar vierde paar metanotumsclerieten heeft. Een ander handig kenmerk om de drie geslachten
binnen de Goeridae te onderscheiden is de vorm van de metanotumsclerieten. Deze zijn bij Silo,
Goera en Lithax duidelijk verschillend (zie Waringer & Graf, 1997).

Een opvallend verschil tussen L. obscurus en S. nigricornis zijn de sclerietpunten op het mesonotum,
bij L. obscurus kort en parallel (gedrongen) en bij S. nigricornis langer en wat taps versmald (slanke
indruk). Verder heeft S. nigricornis donkere ringen rond de spieraanhechtingen op het pronotum. L.
obscurus heeft een vrijwel eenkleurig, donker pronotum met vaak iets lichtere voorrand. Verder heeft
S. nigricornis een duidelijkere richel tussen de ogen, de kop lateraal gezien een scherpere knik
gevend dan L. obscurus (meer afgerond). De koker van L. obscurus heeft niet altijd kleine steentjes
aan de achterkant geplakt. Wel heeft S. nigricornis vaak veel grotere stenen lateraal aan de koker
geplakt dan L. obscurus.

De stippen van S. nigricornis die in Higler (2008) staan betreffen waarnemingen van de provincie
Overijssel uit begin jaren tachtig. In de Alterra collectie zijn in ieder geval exemplaren van
S. nigricornis aanwezig die door Bert Higler zijn gecontroleerd (pers. mededeling P. Verdonschot). Naar alle waarschijnlijkheid betreffen dit de waarnemingen uit begin jaren tachtig.
Mocht iemand zelf ook problemen ondervinden bij het determineren van de Goeridae dan zijn wij
uiteraard bereid om beesten te controleren.

Nais pseudobtusa (1 exemplaar, Itterbeek, Langeveen, 16-04-2012)
Deze zeldzame naide borstelworm is al bekend van een viertal locaties in Twente (Van Haaren &
Soors, 2013). Landelijk gezien is de worm wel erg zeldzaam en is buiten Twente nog maar op een
handvol locaties vastgesteld. Omdat de soort lastig te determineren is ligt het voor de hand dat er
exemplaren zijn gemist tijdens routinematige determinatiewerkzaamheden,waardoor de worm
waarschijnlijk minder zeldzaam is dan geconcludeerd zou kunnen worden uit de beperkte
waarnemingen.

Rheotanytarsus curtistylus (4 poppen, Ruenbergerbeek, Overdinkel, 25-04-2012; 1 pop, Boven Dinkel,
Glane, 26-04-2012; 1 pop, Boekelerbeek, Boekelo, 19-09-2012)
Deze dansmug is nog niet eerder gemeld voor Nederland, terwijl de eerste exemplaren reeds in 2009
zijn gevonden in Limburg (gegevens Waterschap Roer en Overmaas) en later (in 2012) ook in Brabant
(gegevens H. Moller Pillot). Inclusief de drie bovengenoemde Twentse vindplaatsen is de soort tot op
heden op dertien locaties in Nederlandse beken aangetroffen (Figuur 5).

Figuur 5. Vindplaatsen van Rheotanytarsus curtistylus in Nederland.

Binnen hydrobiologisch Nederland worden bijna alleen larven en poppen gedetermineerd van
dansmuggen. Echter voor R. curtistylus zijn alleen poppen, exuviae en mannelijke imago’s te
determineren. Poppen van R. curtistylus kunnen worden gedetermineerd met Langton (1991). De
poppen die wij in Twente hebben bekeken hebben wél kleine, gepaarde doornvlekjes anterieur op
tergiet VI, maar deze zijn minder duidelijk dan op tergiet I tot en met V. Hierdoor kun je de mist in gaan
met Langton (couplet 35). Het unieke kenmerk is de stijve seta dorsaal op de anale lob, welke de
overige soorten van dit geslacht missen.

Rhyacodrilus subterraneus (1 exemplaar, Kersberg bron, Nutter, 26-03-2012)
Tot op heden was deze worm nog maar bekend van één locatie in de Ganzenbeek nabij Voorthuizen
(Van Haaren en Soors, 2013). Dit is dus de tweede waarneming van Rhyacodrilus subterraneus
(Figuur 6) voor Nederland en de eerste voor de provincie Overijssel. R. subterraneus wordt
voornamelijk in bronnen, bronbeekjes en in het grondwater aangetroffen (Van Haaren en Soors,
2013). Onze vindplaats past dus goed in het huidige bekende biotoop van deze worm.

Figuur 6: Peniale borstel van Rhyacodrilus subterraneus (Foto Ton van Haaren).

Simulium costatum (1 larve, Springendalse beek noord, Hezingen, 05-04-2012)
Het betreft hier naar alle waarschijnlijkheid de eerste vondst van deze kriebelmug voor de provincie
Overijssel en zeker de eerste vondst binnen het gebied van WRD. S. costatum is voor de rest
gevonden op 3 locaties in de provincie Gelderland en in groten getale in de provincie Limburg
(gegevens Waterschap Rijn en IJssel, Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en
Maasvallei; gegevens Limnodata). Onze vindplaats betreft de bovenloop van de Springendalse beek.
Dit past goed in het beeld van de overige vindplaatsen. De soort heeft namelijk een voorkeur voor
bronnen en bronbeken.

Simulium lundstromi (2 larven, Hazelbeek, Nutter, 18-09-2012)
Voor deze kriebelmug geldt dat het ook de eerste vondst is in het WRD gebied en waarschijnlijk
eveneens de eerste melding voor de provincie Overijssel is. Er zijn van S. lundstromi eveneens
meldingen uit de provincies Drenthe, Gelderland, Brabant en Limburg (gegevens Waterschap de
Dommel, Waterschap Aa en Maas, Waterschap Peel en Maasvallei, Waterschap Roer en Overmaas
en Aquon; gegevens Limnodata).

Sperchon vaginosus (2 ♂, Bloemenbeek, De Lutte, 19-09-2012)
Deze soort behoort tot de Sperchon denticulatus groep, waarvan alleen mannetjes tot op soort zijn te
determineren. Mannetjes worden echter weinig aangetroffen.
Recentelijk is de onduidelijkheid over deze soort opgelost. In Smit et al. (2012) worden drie locaties
genoemd in Overijssel en Limburg, waaronder reeds de Bloemenbeek. In de Bloemenbeek werden in
2011 ook al vijf mannelijke exemplaren gevangen en het lijkt er dan ook op dat er een stabiele
populatie aanwezig is. Tot 2011 werden altijd alleen vrouwelijke exemplaren gevangen. De soort is
verspreid in Europa aangetroffen in beken en rivieren (Di Sabatino et al. 2010).

Dankwoord
Bert Knol en Marion Geerink worden bedankt voor de prettige samenwerking binnen het project.
Christophe Brochard, Ton van Haaren en David Tempelman worden bedankt voor het maken van de
foto’s van Bandakia concreta, Rhyacodrilus subterraneus en Lithax obscurus. Hub Cuppen, Bert
Klutman, Bram Koese, Mirjam Kuitert, Barend van Maanen, Henk Moller Pillot, Maria Sanabria, David
Tempelman en Piet Verdonschot leverden ons informatie over het voorkomen van verschillende
soorten.

Literatuur
Aukema, B., J.G.M. Cuppen, N. Nieser & D. Tempelman (2002). Verspreidingsatlas Nederlandse wantsen (Hemiptera: Heteroptera). Deel I: Dipsocoromorpha, Nepomorpha, Gerromorpha & Leptopodomorpha. European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Boonstra, H., R. Wiggers, O. Duijts & G. Wolters (2012). Bijzondere macrofaunasoorten aangetroffen in 2011 binnen het meetnet van Waterschap Regge en Dinkel. Macrofauna nieuwsmail 104.
Cuppen, H.J.J.P. (2005). Larvenvondsten van Dixella filicornis en Dixella graeca in Nederland. Macrofauna nieuwsmail 57.
Di Sabatino, A., R. Gerecke, T. Gledhill & H. Smit 2010. Chelicerata: Acari II. Süßwasserfauna von Mitteleuropa 7/2(2): 1-236. Spektrum Akademischer Verlag
Drost, M.B.P., H.P.J.J. Cuppen, E.J. van Nieukerken & M. Schreijer (red.), 1992. De waterkevers van Nederland.
Uitgeverij KNNV, Utrecht.
Haaren, T. van & J. Soors (2013). Aquatic oligochaetes of The Netherlands and Belgium and notes on the occurrence in Germany including annotated and illustrated keys to species (Annelida, Clitellata). KNNV uitgeverij, Utrecht.
Higler, B. (2005). De Nederlandse kokerjufferlarven. Determinatie en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Higler, L.W.G. (2008). Verspreidingsatlas Nederlandse kokerjuffers (Trichoptera). Uitgave EIS-Nederland, Leiden.
Klink, A. (2000). Caspiobdella fadejewi in de nevengeul bij Gameren. Macrofauna nieuwsmail 7.
Langton, P. H. (1991): Chironomidae exuviae, A key to pupal exuviae of the West Palaearctic Region. Huntingdon. 386p. + World Diversity Database CD-ROM Series. ETI, Amsterdam. ISBN 90-75000-50-2.
Mol, A.W.M. (1985). Een overzicht van de Nederlandse haften (Ephemeroptera). 1. Siphlonuridae, Baetidae en Heptageniidae. Entomologische Berichten, Amsterdam 45(8): 105-111.
Smit, H. & H. van der Hammen (2000). Atlas van de Nederlandse watermijten (Acari: Hydrachnidia). Nederlandse Faunistische Mededelingen 13: 1-273.
Smit, H., H. Boonstra, O. Duijts, B. van Maanen & R. Wiggers (2012). Meer dan 250 soorten watermijten in Nederland (Acari: Hydrachnidia, Halacaridae)! Nederlandse Faunistische Mededelingen 38: 95-113.
Vorst, O. (ed.) (2010). Catalogus van de Nederlandse kevers (Coleoptera). Monografieën van de Nederlandse Entomologische Vereniging No. 11.
Waringer, J. & W. Graf (1997). Atlas der Österreichischen Köcherfliegenlarven, unter Einschluß der angrenzenden Gebiete. Facultas Universitätsverlag, Wien.

Voor vragen en/of opmerkingen graag contact opnemen met:
Harry Boonstra

T 050 820 0018
E h.boonstra@koemanenbijkerk.nl
E info@koemanenbijkerk.nl
W http://www.koemanenbijkerk.nl
P Postbus 111, 9750 AC Haren

De water- en oppervlaktewantsen
van België

(Hemiptera, Heteroptera: Nepomorpha & Gerromorpha)
Determinatiesleutels, beschrijvingen en foto’s van
volwassen water- en oppervlaktewantsen

ERIC STOFFELEN, HANS HENDERICKX,
THIERRY VERCAUTEREN,
KOEN LOCK & ROP BOSMANS

Het eerste Nederlandstalig boek in België over deze groep van insecten bevat 256 blz. en meer dan 450 originele foto’s die speciaal voor dit boek werden gemaakt. Elk van de 64 soorten wordt beschreven en afgebeeld. Nog nooit werden deze dieren zo grondig in beeld gebracht.

Het boek telt 16 hoofdstukken met o.a.
Beschrijvingen
Inleidende beschrijvingen belichten de lichaamsbouw, de levenswijze en de biotoopvoorkeuren van de water- en oppervlaktewantsen.
Determinatiesleutels
Illustraties leiden je eerst naar de juiste groep. Determinatiesleutels brengen je vervolgens naar de familie en uiteindelijk naar de soort. Tegenover de binaire sleutels op de linkerpagina vind je telkens de overeenkomstige, verklarende foto’s op de rechterpagina
Soortbespreking
Voor de bespreking van elke soort geven we achtereenvolgens:
Op de linkerpagina
• De wetenschappelijke en Nederlandse naam.
• Een algemene beschrijving, waarbij achtereenvolgens het globale uiterlijk en de geslachtverschillen aan bod komen.
• De verspreiding in Europa in grove lijnen en de verspreiding in België meer in detail, met eventueel vermelding van een aantal speciale feiten.
• Het biotoop waarin de soort bij voorkeur voorkomt.
• De levenswijze van de soort in België.
• De status van de soort in Vlaanderen.
Op de rechterpagina
• Foto’s van de algemene habitus van de betrokken soort en detailfoto’s die belangrijk kunnen zijn bij de determinatie.
• Kaartjes van verspreiding van de soort in België vóór en na 1978.. Deze wordt weergegeven op twee verschillende kaarten, die de toestand voor en na 1978 weergeven.
Doelstelling
Dit boek kan gebruikt worden als veldgids door de beginnende natuurliefhebber met interesse voor het boeiende waterleven, maar is ook een naslagwerk voor de gepassioneerde natuuronderzoeker.
Details
Uitgever Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN) – Brussel
Voorintekenprijs 40 € tot 20 november, nadien 45 €.
Verschijningsdatum 20 november
Verzendkosten niet inbegrepen
Besteladres bestellingen@natuurwetenschappen.be
Bestimmungskurs ” Süßwassermollusken”

10.03.2014–13.03.2014

Dozenten: Dr. Michael L. Zettler, Rostock

Kursleitung: Brigitta Eiseler, Roetgen
Kai Möller, Bad Bevensen (GSI)

Über das Seminar
Nach einer allgemeinen Einführung in die Bestimmung der Süßwassermollusken werden die Familien vorgestellt und ihre Unterscheidung behandelt. Es folgt geordnet nach Familien bzw. Gattungen die Artbestimmung, wobei auf schwierige Sippen wie etwa die Gattung Pisidium besonders eingegangen wird. Vorgesehen sind auch exemplarische Bestimmungen auf Grund anatomischer Präparationen.

Die Bestimmungsgänge werden mit Hilfe von Overhead- und Videoprojektion erläutert. Mit Material der Referenten üben die Teilnehmer anschließend selbständig das Bestimmen. Ein Abend ist für die Arbeit an eigenem Material der Teilnehmer vorgesehen.

Die aktuelle Literatur zu Taxonomie und Biologie der Süßwassermollusken sowie ergänzende und klassische Bearbeitungen werden vorgestellt und bewertet.

Das genaue Programm wird voraussichtlich mit der Zulassung versandt.

Der kurs beginnt Montag 10.03.2014 um 14.00 Uhr und endet Donnerstag den 13.03 -2014 um 12.00 nach dem Mittagessen.

Die kosten für den Kurs betragen 470,00 all inclusive (course, scriptum, full board).
Für Einzelzimmer wird ein Zuschlag iHv 15,00 €/Nacht erhoben..

Anmeldung
Wichtiger Hinweis:
Zur Organisation dieses Kurses verwenden wir spezielle Anmeldeformulare. Bitte fordern Sie diese an und melden Sie sich bitte nicht ausschließlich über unsere Website an.
http://www.gsi-bevensen.de/unsere_seminarangebote_seminar.php?sem_id=1906&da=2014-03-10&de=2014-03-13&bu=&fb=&kib=&PHPSESSID=d9532f60f8d2e4e566a5e0f518bce428

Rückvragen zu Anmeldung, Organisation und Unterkunft bitte an

Kai Möller,
Gustav Stresemann Institut,
Klosterweg 4, 29549 Bad Bevensen
Tel.: (0 58 21) 9 55-115
email: kai.moeller@gsi-bevensen.de

Handigheidjes bij het gebruik van DMHF

DMHF is een fijn insluitmiddel, maar is een beetje lastig in gebruik omdat het zo kleeft, daarna opdroogt en dan bv. het dopje van het flesje vastkit.
Het spul is echter in water oplosbaar, en dat is meteen de truc: met lauwwarm water kun je vastzittende potjes, dopje etc. vaak weer gemakkelijk loskrijgen.

Als je het bewaarflesje DMHF eenmaal weer operationeel hebt gekregen, kun je weer preparaten maken. Bij het maken van een preparaat is het handig vooral niet teveel DMHF te gebruiken, want dan ontstaan lelijke klodders langs de rand van het preparaat, wat lastig is, omdat die klodders niet erg graag opdrogen. Dus gebruik 1 nette druppel van het insluitmiddel.
Objecten kunnen het beste uit ethanol eerst in water worden gelegd (‘wassen’), en na een poosje (1 minuut tot een dag) in het DMHF worden gedaan. Uit melkzuur kan het direct in DMHF (maar gebruik niet teveel melkzuur).
Een nieuw preparaat leg ik steeds ongeveer een week te drogen.
Omdat DMHF maar langzaam droogt, kun je nadat je het dekglas hebt opgebracht, nog een tijdje het object manipuleren. Dat kan erg handig zijn, wanneer je de oriëntatie van het object nog wilt aanpassen (bv. het ligt niet mooi recht). Het manipuleren gaat door het dekglas te bewegen (gebruik dus een niet te groot dekglas).
Spijt gekregen van het preparaat? Bv. verkeerde aanzicht gekozen? Het spul is in water oplosbaar. Een DMHF- preparaat van vrouwtje Hydroptila wat ik 3 maanden geleden had gemaakt, kreeg ik weer losgeweekt door het 1 nacht in lauwwarm water te leggen. Dan voorzichtig het dekglas loswerken, eventueel nog een tijdje in water liggen en het object kreeg ik zo vrijwel onbeschadigd weer ‘terug’.
Succes met het maken van preparaten!

Met vriendelijke groet,
David Tempelman

Chironomidae Larvae – Biology and Ecology of the aquatic Orthocladiinae
Authors: Henk K.M. Moller Pillot
Publisher: http://www.knnvuitgeverij.nl
Technical details: 320 p., 16 x 24 cm, hardcover
ISBN: 978 90 5011 459 2
Price: € 89,95

Henk K.M. Moller Pillot
henkmollerpillot@hetnet.nl

Einde macrofaunaniewsmail 111

Macrofaunanieuwsmail 110, 20 september 2013

Beste lezers,

Een kleine nazomereditie van de macrofaunanieuwsmail met oproepen en nieuwe boeken.

Als je wat ziet, hoort of leest,

Stuur je berichten naar

macrofauna@rws.nl. Eerder verschenen nummers staan op:

http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/monitoring/ecologie/macrofaunanieuws
Is uw email adres gewijzigd…….geef het ook even door aan macrofauna@rws.nl

Myra Swarte

In dit nummer:

Chironomus, een nieuw aggregaat. 2
Let op Lauterbornia 76 2
Herhaalde oproep voor waarnemingen van Metriocnemus carmencitabertarum 3
Reuzengroei waterdieren verklaard 4
New boek: Chironomidae Larvae, Biology and Ecology of the aquatic Orthocladiinae 5
New boek: European flora of the desmid genera Staurastrum and Staurodesmus 6

Chironomus, een nieuw aggregaat.

In de collectie van de Zoologische Staatssammlung in München bevindt zich ook de collectie van Prof. Wolfgang Wülker. Hij heeft van genoemde soorten het karyotype beschreven. Er zijn preparaten gemaakt met chromosomen en larvekoppen en enkele larven zijn op alcohol bewaard. Bestudering van dit materiaal heeft duidelijk gemaakt dat de soorten weinig van elkaar verschillen. De pigmenatie van het submentum varieert binnen de soort tussen afwezig en zwak aanwezig.

De soorten C. acidophilus, C. holomelas en C. saxatilis, die op grond van de morfologie niet geheel zeker te onderscheiden zijn, worden nu ondergebracht in het Chironomus s.str. acidophilus aggregaat. De soorten zijn onderscheidend kleiner dan C. melanescens.
De kopbreedte is bij C. melanescens 380-420 en bij het aggregaat 260-348 micrometer.

Larven uit deze groep zijn verspreid in Europa aangetroffen en in Nederland in het Bargerveen (Weiteveen in Drenthe) en nabij Wierden. Ze komen zeker op meer plaatsen in Nederland voor.
Deze soorten leven in voedselarme wateren, vaak begroeid met veenmos, maar C. saxatilis is tot nu toe alleen bekend van poelen tussen rotsblokken in Noord- en Oost-Europa.
Voor het gehele aggregaat geldt dat ze een apart milieu aangeven waar ze vaak vrijwel de enige vertegenwoordigers van de Chironomini zijn. Dit geeft maar aan dat de soorten van het genus Chironomus in zeer uiteenlopende milieus voorkomen. In de nieuwe sleutel voor dit genus worden ongeveer 50 soorten opgenomen.

Groeten,
Henk Vallenduuk

Let op Lauterbornia 76

In dit nummer komen publicaties over Chironomini.
Één artikel gaat over het benoemen van Glyptotendipes Caulochironomus spec. belarus naar
G. (C.) nagorskayae.

Een tweede artikel gaat over Chironomus macani.
Materiaal van deze soort uit de collectie van Prof. W. Wülker bracht aan het licht dat de larven van mijn kweek en dat van Wülker morfologisch niet geheel hetzelfde leken. Doordat ik de soort vanuit larve gekweekt had, kon Peter Langton het imago bestuderen. Het resultaat van de onderzoeken is dat er een naam bijkomt. De naam is nu opgesplitst in de “echte” C. macani en C. bitumineus.
Hoe de larven herkend kunnen worden en meer staat in het artikel.

http://shop.lauterbornia.de/index.php?cPath=31

Groeten,
Henk Vallenduuk

Herhaalde oproep voor waarnemingen van Metriocnemus carmencitabertarum

In de Macrofaunanieuwsmail 106 van november 2012 heb ik jullie, mede-watermacrofaunisten, gevraagd om in emmers en regentonnen in jullie tuin op zoek te gaan naar (oa) exuvia van de voor Nederland nieuwe dansmug Metriocnemus carmencitabertarum. Dat heeft enkele reacties opgeleverd, waavoor veel dank!
Mijn timing van de oproep was echter een beetje aan de late (of vroege) kant want de soort ging net in winterrust, om vervolgens dit jaar pas in mei weer te voorschijn te komen! Daarom nogmaals een oproep, nu hopelijk nog wel goed getimed: de mug kan nog tot in november actief zijn.

Alle Nederlandse waarnemingen van M. carmencitabertarum zijn tot nog toe in emmers en regentonnen gedaan.
Het voorkomen in dit soort type habitatjes doet vermoeden dat M. carmencitabertarum algemeen verspreid is in Nederland. Om dit vermoeden te bevestigen dan wel te ontkrachten wil ik jullie, geachte watermacrofaunisten, vragen om eens te kijken in jullie woonomgeving (eigen tuin, de tuin van de buren, de tuin van familie) of er daar met (regen)water gevulde emmers en/of regentonnen staan.
En zouden jullie dan eens met en fijne zeef het wateroppervlak willen filteren en het opgestreken materiaal willen verzamelen in een buisje geheel gevuld met 70% alcohol.
Ongetwijfeld dat er huidjes van dansmugpoppen tussen zitten en wie weet ook die van Metriocnemus carmencitabertarum!
Een exuvium is ca. 7,5 mm groot. Het kop-borststuk is donkerbruin, het achterlijf is veel lichter, bijna kleurloos, met langs de zijranden een onderbroken lichtbruine lijn. Aan de zijkanten van het achterlijf zitten per segment 8 stevige haren, aan weerszijden 4. Op de top van het achterlijf zitten 2 x 3 eveneens stevige haren, die gekromd zijn (zie foto).

Graag zou ik de verzamelde huidjes opgestuurd krijgen, dan kan ik checken of M. carmencitabertarum er tussen zit. Je mag het materiaal opsturen naar: J.T. Kuper
Stichting Bargerveen
Toernooiveld 1
6525 ED Nijmegen
Op het bijgaande etiket graag de volgende gegevens:
Datum en plaats, Amersfoortcoördinaten en je naam.
En het zou geweldig zijn als je de volgende info over de vindplaats er bij wilt vermelden: mate van beschaduwing, algengroei in de emmer/regenton, wordt de vindplaats regelmatig van vers (regen)water voorzien en hoe.
Ik ben heel benieuwd of we de Nederlandse verspreiding van deze nieuwe soort in kaart kunnen brengen!
Alvast veel dank voor jullie medewerking.

Jan Kuper
Stichting Bargerveen
j.kuper@science.ru.nl

Reuzengroei waterdieren verklaard

Uit Helpdeskwater nieuws van augustus 2013-09-20
Reuzenhaaien, reuzenpijlinktvissen en prehistorische reuzenlibellen: gigantische dieren spreken tot de verbeelding. Lange tijd werd gedacht dat deze reuzengroei mogelijk is, omdat koud water rijk is aan zuurstof.

Lees meer:
http://www.helpdeskwater.nl/nieuwsbrieven/helpdesk_water/nieuwsbrieven/2013/helpdesk-water-nieuw-1/@36708/reuzengroei/

PRESS RELEASE AUGUST 2013

New boek: Chironomidae Larvae, Biology and Ecology of the aquatic Orthocladiinae

Chironomids are a group of non-biting midges, the larvae of which are important in aquatic ecosystems. The subfamily Orthocladiinae is well represented in flowing water. This books contains information about their life cycle, feeding behaviour and their response to environmental factors. Presents a wealth of information for scientific and practical purpose.
The subfamily Orthocladiinae is especially well represented in flowing water. Most of the species need a good supply of oxygen and few larvae are bottom dwellers. Many species emerge early in spring and may be scarce in summer. Other species live in stagnant and even temporary water bodies.
• information about the life cycle and feeding behaviour of the larvae and their response to environmental factors such as oxygen conditions, current velocity and saprobity
• special attention to the interrelations between these factors
• general and specific aspects of the systematics, biology and ecology the genera and species
• nomenclature and identification
An invaluable tool for aquatic ecologists and water quality management.
Keywords: water quality management, aquatic ecology, hydrobiology, Chironomidae larvae, non-biting midges, aquatic ecosystems, midges, macroinvertebrates, Prodiamesinae, Diamesinae, Buchonomyiinae, Podonominae, Telmatogetoninae

More books on Chironomidae Larvae >> http://www.knnvuitgeverij.nl/EN/webwinkel/0/chironomidae

Chironomidae Larvae – Biology and Ecology of the aquatic Orthocladiinae
Authors: Henk K.M. Moller Pillot
Publisher: http://www.knnvuitgeverij.nl
Technical details: 320 p., 16 x 24 cm, hardcover
ISBN: 978 90 5011 459 2
Price: € 89,95

Henk K.M. Moller Pillot
henkmollerpillot@hetnet.nl

New boek: European flora of the desmid genera Staurastrum and Staurodesmus

This flora represents the European species of het desmid genera Staurastrum and Staurodesmus and contains reliable identification keys and general information on the morphology, taxonomy, ecology and geographical distribution. An invaluable tool for aquatic ecologists and water quality management.

The desmid genera Staurastrum and Staurodesmus are notorious for their confusing taxonomy and problematic species identification. To a large part this is due to a lack of reliable identification manuals. The present flora, dealing with the European species of these genera, aims to meet this need. As well as general information on the morphology and taxonomy of the genera, identification keys to the species are provided. The discussion of each species includes morphological characteristics, ecology and geographical distribution (also beyond Europe).

As compared to other desmid genera, a large part of the Staurastrum and Staurodesmus species have a euplanktonic way of life. Reliable identification and knowledge of their ecological demands is most important for the assessment of water quality. Many species have a confined geographical distribution, even within Europe. Shifting distribution patterns of those species might be linked to climate change.

More books on Desmidiaceae >> http://www.knnvuitgeverij.nl/EN/webwinkel/0/desmidiaceae

European flora of the desmid genera Staurastrum and Staurodesmus
Authors: Peter F.M. Coesel and Koos (J.) Meesters
Publisher: http://www.knnvuitgeverij.nl
Technical details: 358 p., 16 x 24 cm, hardcover
ISBN: 978 90 5011 458 5
Price: € 99,95

Peter F.M. Coesel
P.F.M.Coesel@uva.nl

Einde macrofaunaniewsmail 110